↳ Enter om te zoeken
cocainefabriek.jpg
© CC

Coca Java

Rond 1860 lukte het voor het eerst om uit de bladeren van de cocaplant cocaïne te winnen. Aanvankelijk kwamen de benodigde cocabladeren uit Bolivia en Peru. Dat laatste land was – kwalitatief en kwantitatief gezien – de belangrijkste leverancier voor Europa, waar Hamburg de belangrijkste invoerhaven was. Nederlandse handelaren hadden snel door dat hier grote winsten te behalen vielen.

In 1878 werd een lading cocastruiken vanuit Zuid-Amerika naar de plantage Hortus Botanicus in Buitenzorg op Java gebracht. Kort daarop werd gestart met de verbouw van het gewas voor commerciële doeleinden op Java, Madoera en Sumatra. Vooral de Koloniale Bank van Amsterdam speelde een belangrijke rol in de cocaproductie en -handel.

Koloniale bank richt NCF op

In eerste instantie werden de ladingen cocabladeren naar Duitsland geëxporteerd, maar door de groeiende vraag naar cocaïne en de stijgende productie op Java zag men ook brood in de eigen fabricage van de drug. De Nederlandsche Cocaïnefabriek werd daarom door de Koloniale Bank op 12 maart 1900 opgericht.

De fabriek produceerde aanvankelijk drugs in de achterkamer en de keuken van een op de Schinkelkade gevestigd pand. In de voorkamer van dat pand hield het bedrijf kantoor en de onderneming stond later ook gewoon in het telefoonboek. De fabriek produceerde de drugs van 1900 tot in het begin jaren zestig compleet legaal.

De NCF was niet de eerste of enige cocaïnefabriek in hoofdstad. Voor cocaproducten konden Amsterdammers al in de jaren zeventig van de negentiende eeuw terecht op de Zeedijk nummer 16. Daar kon de patiënt diverse coca-bereidingen uit het cocaïnefabriekje van doctor José Alvarez verkrijgen.

In een advertentie in de Geneeskundige Courant beweerde Alvarez bijvoorbeeld dat zijn coca-pillen (slechts twee gulden per doosje!) zorgden voor ‘de meest verrassende genezingen bij alle hals-, borst- en longziekten, zoals verkoudheden, astmatische toevallen, kleine zweeren aan de long, zelfs wanneer laatstgenoemde reeds in hoogen graad aanwezig zijn’.

In 1902 werd de fabriek aan de Schinkelkade uitgebreid. Rond 1909 werd aan de huidige Duivendrechtsekade een nieuwe fabriek betrokken, die gaandeweg steeds verder werd uitgebreid. Aanvankelijk profiteerde de NCF van de Eerste Wereldoorlog doordat grote concurrent Merck KGaA geen toegang meer had tot sommige afzetmarkten en de aanvoer van grondstoffen ook in het gedrang kwamen.

De NCF sprong hier handig op in en breidde gestaag uit. Er gold tijdens de Eerste Wereldoorlog weliswaar een exportverbod voor geneesmiddelen uit het neutrale Nederland, maar de NCF kreeg hier een ontheffing voor. In de loop van die oorlog kreeg de NCF wel steeds meer te maken met ontwrichtingen als gevolg van de gevechtshandelingen, zoals een tekort aan grondstoffen door de onbeperkte duikbootoorlog vanaf 1917.

(Tekst gaat verder onder illustratie)

aandeel cocainefabriek.jpg
© CC

Cocaïne tijdens de Eerste Wereldoorlog

In De handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek (Amsterdam, 2009) schrijft Conny Braam hoe soldaten in de Eerste Wereldoorlog in de loopgraven in Nederland geproduceerde cocaïne krijgen aangeboden. Het zou ze strijdlustig en overmoedig maken.

Volgen Braam zou de NCF al in 1910 de grootste producent ter wereld zijn geweest en tijdens de Eerste Wereldoorlog enorme winst hebben gemaakt. Volgens Braam was dat mogelijk omdat de NCF op verzoek van diverse legers cocaïne leverde aan Britse, Amerikaanse en later ook Duitse soldaten.

Deze bevindingen worden betwist door Hans Bosman, voormalig hoofd chemie van NCF. Hij promoveerde in 2012 aan de Universiteit Maastricht op de geschiedenis van de fabriek. In zijn proefschrift noteert hij veel lagere ramingen van de cocaïneproductie ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Ook schrijft hij dat de cocaïne nooit voor soldaten werd gemaakt. Braam zei in interviews over haar boek dat tussen 1914 en 1918 gemiddeld 30.000 kilo werd geëxporteerd. Bosman kwam in zijn promotieonderzoek uit op tussen de 500 en 900 kilo per jaar tussen 1910 en 1917. Een behoorlijk verschil dus.

Veel Nederlandse cocabladeren maar weinig cocaïne

Toine Pieters, hoogleraar geschiedenis van de farmacie aan de Universiteit Utrecht, doet onderzoek naar drugsbeleid en was een van de beoordelaars van het proefschrift van Bosman, dat hij ‘uitstekend gedocumenteerd’ noemt, zo zei hij in een artikel in het NRC Handelsblad in augustus 2014.

Volgens dit artikel beschouwt Pieters het boek van Braam als fictie. Volgens hem werd Nederland vanaf eind negentiende eeuw de grootste producent van cocabladeren, door de teelt in het toenmalige Nederlands-Indië. ‘Peru werd weggeconcurreerd. Het aandeel van Java in de wereldhandel in coca was zo’n 70 procent.’

Maar waar werden de geperste bladeren naartoe verscheept voor de productie van cocaïne? Voor een deel naar de NCF, maar de meeste cocabladeren gingen naar de fabrieken van het Duitse Merck. Pieters: ‘Tussen 1914 en 1920 werd wereldwijd 12.600 kilo cocaïne per jaar geproduceerd. 6.800 kilo daarvan kwam uit Duitsland, 700 kilo uit Nederland.’ Nederland was dus weliswaar de grootste producent van cocabladeren, maar de meeste cocaïne kwam uit Duitse fabrieken.

aandeel nederlandsche cocainefabriek.png
© CC

De Opiumwet en de NCF

De Opiumwet uit 1919 bepaalde dat cocaïne alleen maar geproduceerd mocht worden door bedrijven met een vergunning. Na de herziening van de Opiumwet in 1928 mocht cocaïne zelfs alleen nog maar geproduceerd worden voor geneeskundige doeleinden. Dat was op zich niet zo bezwaarlijk, want vergunningen werden zonder problemen verstrekt door de overheid en zeker aan de eigen Nederlandsche Cocaïnefabriek in Amsterdam.

In de loop der jaren werd cocaïne in de geneeskunde steeds minder belangrijk, maar de fabriek was op tijd overgestapt op de productie van opiaten, zoals morfine en heroïne. Maar het succesnummer was novocaïne (synthetische cocaïne), waarvan de productie na de Opiumwet winstgevend werd.

Werken bij de NCF

Historicus Ger Harmsen haalt in zijn begin jaren negentig verschenen autobiografie Herfsttijloos herinneringen op aan zijn tijd als spoeljongen bij de NCF:  ‘Zo begon ik op 16 mei 1938 voor acht gulden in de week – het dubbele van wat ik bij de tabaksmakelaar kreeg – als spoeljongen. (…) Met negentien jaar verdiende ik twintig gulden – de extra weken loon die we kregen omdat de winsten de pan uitrezen, niet meegerekend – en dat was bijna het dubbele van wat een werkloze met vrouw en twee kinderen wekelijks in handen kreeg.’

Het spoelwerk viel Harmsen zwaar. ‘Alleen al de hele tijd staan was aanvankelijk een zware opgave. Pas na maanden wende dat. Uiteraard zat ik voortdurend met mijn handen in het water. De lange aanrechten met vuil glaswerk leken nooit leger te worden, hoe hard ik ook werkte. Van alle kanten stapelde het vuile glaswerk zich weer op. Bij het leeghalen van de droogkast waar hete lucht door werd gevoerd – de stoerheidsnorm vergde dat ik dit met mijn blote handen deed – brandde ik me en het duurde een hele tijd voor mijn handen gehard waren.’

De directe chef van Harmsen was ingenieur. M.J. Weidema, die hij haatte omdat deze hem altijd tegenstrijdige orders gaf. Harmsen trok wel een keer zijn mond open tegen hem open: ‘Eén keer heb ik me verweerd door, toen hij me aanblafte, een kostbaar glazen apparaat dat ik toevallig in mijn handen hield, op de grond te laten vallen, zogenaamd van de zenuwen.’ Wie voor de schade moest opdraaien, vertelt Harmsen helaas niet. Wanneer het reglement van de fabriek toen echter stipt is gevolgd, dan heeft Harmsen de schade tot een maximum van één gulden zelf moeten betalen.

De dood en het einde van de NCF

In bepaalde opzichten waren de arbeidsvoorwaarden bij de NCF echter redelijk modern. Zo was er een pensioenregeling en waren de lonen relatief hoog. Het relatief hoge loon was volgens Harmsen de reden dat de ongeschoolde werknemers weigerden te strijden voor verbetering van de arbeidsomstandigheden. Harmsen begreep dat niet. Want pensioenregeling of niet, ‘we werkten met de smerigste stoffen en de kans om in gezondheid oud te worden was in dit bedrijf gering. Een grafkrans voor de overledene en een advertentie voor het werven van een nieuwe arbeidskracht kostten minder dan veiligheidsmaatregelen, gaf een chef ons cynisch te verstaan.’

Ondanks het geklaag van Harmsen zou de NCF nog jaren voortbestaan. Pas begin jaren zestig ging de fabriek langzaam ter ziele. In 1962 werd de NCF overgenomen door Koninklijke Zwanenberg Organon (KZO) uit Apeldoorn. Dit betekende het einde van de NCF als zelfstandig opererende onderneming. Een deel van de productie en het personeel van de NCF verhuisde naar Apeldoorn. De fabriek in Amsterdam sloot niet al te snel na de overname haar deuren.

Bronnen

  • History of the Nederlandsche Cocaïne Fabriek and its Successors as Manufacturers of Narcotic Drugs, analysed from an International Perspective, Hans Bosman (Maastricht 2012)
  • De handelsreiziger van de Nederlandse Cocaïne Fabriek, Conny Braam (Amsterdam, 2009)
  • Verslaafd aan opium: De VOC en het Huis van Oranje als drugsdealers, Hans Derks (Amsterdam, 2015)
  • Tussen patiënt en delinquent: Geschiedenis van het Nederlandse drugsbeleid, Marcel de Kort (Hilversum, 1995)
  • Legaal snuiven, slikken en spuiten, Ons Amsterdam, Eric Slot (Amsterdam, 1994)
Credits
  • Micha Peters