↳ Enter om te zoeken
12 februari 2002

Ben Korsten, de eerste Nederlandse spin doctor

Ben Korsten
Bekijk Video
1 min
Stilte aan de groeve

Eind augustus 1969 liep een klein groepje mensen achter de kist van Ben Korsten op de begraafplaats ‘Berkenrode’ in Heemstede. Zijn zusje, Enny Mulder-Korsten, was er met haar man. Zijn ex-vrouw, Rietje Kuipers, was er en Harm van Riel, senator van de VVD.
Hoe kan het dat zo weinigen de laatste eer bewezen aan een man die in de jaren daarvoor zo velen tot zijn vriendenkring mocht rekenen? Ben Korsten, public relations adviseur, had immers een hele reeks van politici met raad en daad bijgestaan.
En nu was er, behalve Van Riel, niemand uit die kring.

Van Riel sprak aan de groeve en probeerde dit raadsel te verklaren: “Korsten kon alleen werken voor mensen en dingen waarmee hij zich wilde identificeren en kon identificeren in een sfeer van persoonlijk geven en nemen, van vriendschap. Dat was in de verhouding waarin hij tot veel hooggeplaatsten stond in feite onmogelijk.
Maar het had op de weg gelegen van de aanzienlijken hem te waarschuwen: gij zijt niet mijn vriend, maar een gespecialiseerde werknemer. Zoals de zaken thans gelopen zijn, is Korsten het slachtoffer geworden van vriendschap door hem verondersteld op plaatsen waar slechts zakelijke gevoelens bestonden.”
Korsten had dus veel minder vrienden dan hij dacht, hij had slechts opdrachtgevers. En die lieten op die dag verstek gaan. En zo werd Korsten in het graf van zijn moeder bijgezet.

Een van de bekendste foto's van Ben Korsten

Carrière

Begin van een ziektegeschiedenis

Korsten werd in 1916 in Heemstede geboren, als zoon van een bollenhandelaar. Elf jaar later kwam zijn zusje, Enny. Vader zat voor zaken de helft van het jaar in Zweden en zo was Ben al op jonge leeftijd de man in huis. De band met zijn moeder was innig; Enny heeft nog een foto van Ben gearmd met zijn moeder in de achtertuin van de villa. Ben ging in de journalistiek. In 1937 begon hij bij het Haarlems Dagblad en hij bleef in het begin van de oorlog voor de krant schrijven. Ook toen de krant door de bezetter was gemuilkorfd en omgedoopt tot de Haarlemse Courant.

Dat zijn houding tegenover de bezetter niet onsympathiek was, blijkt uit een brief van Korsten aan de hoofdredacteur van de Haarlemse Courant. Korsten liet hij weten dat “dit blad meer in de richting van de nieuwe orde werkzaam moest zijn”. Daarnaast schreef hij in het ongunstig bekend staande orgaan ‘De Waag’. In het laatste jaar van de oorlog zat Korsten plots aan de andere kant; hij werd directeur van het illegale Haarlemse blad ‘De Patriot’, een soort berichtendienst van de BBC.
Na de oorlog was zijn journalistieke loopbaan ten einde. In februari 1947 moest Korsten voor de Commissie voor de Perszuivering verschijnen: hij kreeg een zware straf. Zeven jaar lang mocht hij geen journalistiek werk doen.

Korsten was toen al een andere weg ingeslagen. Hij was perschef bij de Stoomvaart Maatschappij Nederland. Korsten had de gave dat hij mensen kon overtuigen en over de streep kon trekken. Zo herinnert Enny Mulder-Korsten zich dat in het begin van de jaren vijftig de steenfabriek Van Herwaarden in Hillegom wilde uitbreiden en daartoe een stuk land van de gemeente wilde kopen. Aanvankelijk lag de gemeente dwars, maar na tussenkomst van Korsten was de zaak snel geregeld. De steenfabriek was Korsten zo dankbaar dat hij jarenlang duizend gulden per maand ontving.

Enny Mulder verbaast zich niet hierover: “Hij was iemand die als je met hem sprak heel veel dingen uit je kon halen. Hij was heel charmant en had een grote mensenkennis. Hij wist heel goed hoe hij de mensen moest aanpakken.” En dan noemt ze een ander voorbeeld: “Als hij weer eens was opgenomen in de kliniek van professor Bastiaans (bedoeld wordt de Ursulakliniek te Wassenaar red.) en ik kwam dan na een paar dagen op bezoek, dan had hij de hele boel naar zijn hand gezet. Dan waren de rollen compleet omgedraaid.”

Al vroeg kwam Ben Korsten in aanraking met de medische stand. De jonge Ben vreesde dat hij een ongeneeslijke ziekte onder de leden had en dronk stevig. Als hij in zo’n bui was, werd hij onhandelbaar. Zijn moeder liet de dokter komen, en die gaf hem dan een spuitje. Ben kalmeerde en dan ging het weer een tijdje goed, maar zijn hele leven kwamen de angsten terug en zijn hele leven zou hij zowel naar de fles als naar de medicijnen grijpen. Bij ‘de Patriot’ bijvoorbeeld raakte hij bevriend met een apotheker in opleiding en die leverde Ben de nodige middelen. Die ziektegeschiedenis zou uiteindelijk tot zijn ondergang leiden.

Zes leden van het kabinet Zijlstra werden geadviseerd door Korsten, o.a Klompe, de Jong en Bot.

Haagse circuit

Dè adviseur voor ministers

 

In 1954 verhuist Ben Korsten naar Scheveningen en vestigt zich als public relationsadviseur. De zaken gaan goed. Hij krijgt een grote klant: Reinder Zwolsman, handelaar in onroerend goed. Zwolsman is zeer geïnteresseerd in commerciële televisie. Korsten doet de publiciteit, Zwolsman spekt de kas van de KVP om de politiek in een voor hem gunstige zin te beïnvloeden. En Ben Korsten krijgt ook de KVP als klant. In 1959 wordt hij door H. van Doorn, voorzitter van de KVP, benaderd om Norbert Schmelzer te helpen bij de verkiezingscampagne van dat jaar.

Dit zou het begin betekenen van een langdurige relatie. Via Schmelzer wordt Korsten geïntroduceerd in het Haagse circuit en krijgt hij vele nieuwe klanten. Korsten adviseert politici en wordt een belangrijke bron van informatie voor journalisten. Via Schmelzer komt Korsten bij dr. G. Veldkamp (KVP) terecht. Veldkamp, de latere minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, schrijft in zijn memoires: “Schmelzer vroeg mij of hij Korsten bij mij mocht introduceren, omdat deze mij zou moeten begeleiden tijdens een verkiezingstournee in de kop van Noord-Holland. Korsten deed dat op bekwame wijze en ik vond hem bovendien een hartelijke man.”

Twee jaar later, Veldkamp is dan minister, wordt het contact hernieuwd en gaat Korsten de afdeling Externe Betrekkingen van het ministerie opzetten. Met dat bijltje had Korsten al eerder gehakt. Eind jaren vijftig had de provincie Zuid-Holland hem gevraagd een professioneel voorlichtingsapparaat op te bouwen. In die jaren had het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland een gerenommeerd lid: dr. H. van Riel. Het is aannemelijk dat vanwege die relatie Van Riel in 1969 wèl op de begrafenis was.

Terug naar de landelijke politiek. In het begin van de jaren zestig breidt het netwerk van Korsten zich uit. Het bleef niet bij Veldkamp en Schmelzer. Vele bewindslieden uit verschillende opeenvolgende kabinetten huren Korsten in: J. de Quay (KVP), premier, J. Cals (KVP), premier, P. de Jong (KVP), minister van Defensie, M. Klompé (KVP), minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk, I. Diepenhorst (ARP), minister van Onderwijs, Th. Bot (KVP), minister van Ontwikkelingshulp, H. Witte (KVP), minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, H. Beernink (CHU), minister van Binnenlandse Zaken, W. den Toom (VVD), minister van Defensie, G. Veringa (KVP), minister van Onderwijs, B. Roolvink (ARP), minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, B. Udink (CHU), minister van Ontwikkelingshulp.
Op het laatst, tijdens het kabinet De Jong (1967-1971), had Korsten in één kabinet zes van de veertien ministers onder zijn hoede.

Dhr. B. Udink, minister, werd veel door Korsten geadviseerd

Wèl of geen politieke macht?

De positie van Korsten

Wat deed Korsten nu precies voor al die ministers? Daarop komen twee antwoorden. In de herinnering van voormalige bewindslieden was de taak van Korsten het opzetten van de afdeling publiciteit en het helder formuleren van stukken die naar buiten gingen. Maar
Ferry Hoogendijk, destijds parlementair journalist voor Elsevier en de AVRO, ziet dat een slag anders: “Korsten zat midden in het web door al die ministers die hij adviseerde. Dan hoorde hij tegelijkertijd wat er speelde en dat kon hij dan weer neerleggen bij een andere bewindsman. Zo kreeg hij een enorme machtspositie in Den Haag.

Naar buiten toe werd gezegd dat de PR werd bediend, maar hij was zo een politiek dier, hij voelde de situatie zo goed aan, dat hij de ministers gewoon politieke beleidsadviezen gaf en dat maakte hem eigenlijk heel machtig. Want die ministers gingen niet alleen vragen hoe hun dasje er voor de televisie uit moest zien, maar Korsten bemoeide zich ook met de effecten van beleidsplannen op de pers en op de Tweede Kamer. Hij was zo vertrouwd met die ministers en dan is het logisch dat als er moeilijke kwesties zijn dat je even met zo’n man praat over wat er moet gebeuren.”

Een briefje dat B. Udink (minister van Ontwikkelingshulp in het kabinet de Jong, 1967-1971) aan Korsten stuurde, lijkt de woorden van Hoogendijk te bevestigen. Alleen ziet Udink dat anders. Het gewraakte briefje met de aantekening “zeer persoonlijk” werd door Udink op 24 augustus 1967 aan Korsten gestuurd, met bijgaand een nota van het ministerie van Ontwikkelingshulp. Udink schrijft:
“Hierbij het stuk dat ik mij voorstel aan de Tweede Kamer aan te bieden over de ontwikkelingshulp. Zou je er kennis van kunnen nemen en me zaterdag je reactie kunnen geven? Ik heb in de kantlijn een enkele verandering aangebracht die nog mogelijk is als het laatste overleg met Financiën niet slaagt.”
Vraag aan Udink in 2002: “Had Ben Korsten toegang tot beleidsstukken voordat de Tweede Kamer die zag?”
Udink: “Tsja, ja nee. Nee, daar was geen sprake van. Er werd met hem overlegd: hoe zullen we dat publiceren?”
Geconfronteerd met hierboven geciteerd briefje, zegt Udink: “Dat moeten begrotingsstukken geweest zijn, of het ontwerp van de memorie van toelichting. Dat zal ongetwijfeld zo zijn geweest, ja.”
Vraag: “Maar hoe moet ik dat dan zien in het licht van wat u zojuist zei?”
Udink: “Zeker niet dat dat zou hebben betekend dat hij zei: dat beleid deugt niet. Dat is ondenkbaar. Dat zou helemaal niet kunnen! Misschien dat Korsten gezegd heeft: jullie moeten dat niet zo saai achtermekaar zetten. Dat het een ambtelijke brei was.”

Voormalig premier en minister van Defensie P. de Jong heeft hetzelfde soort herinneringen aan het werk en invloed van Korsten. In 1963 werd De Jong minister van Defensie in het kabinet Marijnen. Hij huurt Ben Korsten in om de afdeling Externe Betrekkingen te verbeteren. Defensie kreeg geen goede pers en was ook bij het publiek niet populair. P. de Jong: “Als er op welk gebeid dan ook iets naar buiten moest, dan werd Korsten geraadpleegd over de formulering. Ik vond hem goed in zijn vak. Hij maakte er wat begrijpelijker Nederlands van. Hij had geen invloed op het beleid. Maar ja, hij moest tegenover zijn journalistenvrindjes een beetje de indruk wekken dat hij het allemaal heel goed wist.”

Voormalig journalist Hoogendijk kijkt een beetje zuinig als hij deze reactie hoort: “Dat is natuurlijk achteraf een beetje flauw van ze. Dat is een beetje handjes schoonmaken na afloop, maar dat was absoluut niet het geval. Dan had hij ook niet zo’n machtige positie in Den Haag hebben kunnen opbouwen.”

Norbert Schmelzer

De nieuwe generatie

Korsten als coach

Dat Ben Korsten bijna een half kabinet als klant had, komt – naast zijn kwaliteiten – door de fase waarin de Nederlandse politiek verkeerde. In de jaren zestig vertrokken oude rotten als Romme en Beel. Een nieuwe generatie kwam op, met Schmelzer als één van de belangrijkste exponenten. Schmelzer bestierde de politiek vanuit de Tweede Kamer. Hij was jarenlang fractievoorzitter van de KVP.

Schmelzer dacht in strategieën en Korsten dacht mee. En de media kwamen op. De televisie bracht de politici in de huiskamer. Eerst vriendelijk en vooral beleefd. Maar later kon er achter de aanspreektitel ‘excellentie’ een kritische vraag volgen. En als er dan geen antwoord op de vraag kwam, werd de vraag herhaald. Kortom, de pers begon zich steeds onafhankelijker op te stellen. Het was niet meer zo dat bijvoorbeeld de Volkskrant de KVP klakkeloos en kritiekloos volgde. En in die nieuwe situatie hadden de onervaren politici een houvast nodig. Iemand die ze, soms letterlijk, aan de hand meenam naar een televisiestudio om ze als een echte coach langs de voetangels en klemmen van een interview te loodsen.

In de zojuist verschenen biografie van voormalig premier P. de Jong ‘Van buitengaats naar Binnenhof’ staat een intrigerende zin: “Korsten fungeerde bij de kabinetsformaties van 1963 en 1965 als ‘trait d’union’ tussen de verschillende katholieke politici.” De Jong weet niet precies meer wat Korsten bij die kabinetsformaties deed, hij was geen formateur, maar kan zich wel voorstellen dat Korsten kandidaten voor een post in het kabinet polste.

Enny Mulder-Korsten heeft een levendige herinnering aan de formatie van 1966. Schmelzer was toen formateur. “In die tijd logeerde Ben hier bij mij. Toen hebben heel veel mensen die later minister geworden zijn via Ben laten weten welke post ze wilden. Dat konden ze niet rechtstreeks met elkaar doen en dat liep via Ben. Dat gebeurde hier in huis. Alle telefoontjes kwamen hier binnen. Van ministers, van mevrouw Klompé huilend aan de telefoon, want die kreeg dan weer niet wat ze wilde. Zo ging dat. Ik vond het een weinig verheffend gebeuren, moet ik zeggen. Ik vond het een beetje een koehandel.”

Ook oud-journalist Hoogendijk herinnert zich Korstens rol bij kabinetsformaties: “Als Schmelzer formateur was, dan was er dagelijks contact over politiek gevoelige onderwerpen die van tevoren geregeld moeten worden. Het is niet zo dat Korsten Schmelzer zat voor te zeggen wat hij moest doen, maar het was een interactie. Korsten was een gesprekspartner voor Schmelzer.”

Het beeld dat naar voren komt is dat van een man die zowel op de departementen als bij politici in de Tweede Kamer overal met zijn neus bovenop zat. Korsten hielp, regelde, belde en adviseerde. Een spin in het web. Hoogendijk: “Ik ging wekelijks naar zijn flat in Scheveningen en dan bespraken we wat er allemaal speelde. Na afloop wist ik werkelijk bijna alles vanuit de KVP-hoek. Ben maakte geen fouten. Hij wist echt hoe het zat. Dat was het interessante aan Ben. Met voorlichters heb ik nooit willen praten. Daar heb je niks aan. Die zijn alleen maar ingehuurd om te zeggen dat het niet zo is. Maar aan Korsten had ik wat. Die wist echt hoe het zat.”

Daar kwam nog iets bij. Misschien niet zo belangrijk, maar toch het vermelden waard. De zeden werden losser. Het was de tijd van de seksuele revolutie. Korsten deed daaraan mee. Hij was getrouwd met Rietje Kuipers, maar had daarnaast minnaressen. Eén van hen was Carla Mutsaerts. Zij was getrouwd en wel met Norbert Schmelzer. Korstens zusje Enny: “Vrouwen waren gek op hem. Ze vonden hem heel charmant en aardig. Maar of de relatie diep ging, dat weet ik niet. Daar heb ik zo mijn ideeën over. Misschien was hij wel homo.”

Over het kabinet de Jong, voor een groot gedeelte onder zijn hoede, klapt Korsten uit de school.

Loslippigheid

De affaire Korsten

 

En toen ging het mis. De datum is precies aan te wijzen: 16 september 1967. Op die dag verschijnen er in de Haagse Post en in de Volkskrant interviews met Ben Korsten. W. L. Brugsma, hoofdredacteur van de Haagse Post, rook lont en stuurde redacteur Emile van Konijnenburg op Korsten af. Aanleiding was een controversiële benoeming op het ministerie van Ontwikkelingshulp, het ministerie van B.J. Udink. Korsten was als adviseur aan het ministerie verbonden en belast met het opzetten van de public relations. Op 7 september 1967 stonden vele Haagse prominenten aan de sherry om de benoeming van het hoofd voorlichting te vieren. Gelukkige was D. Dettmeyer, een onbekende in Den Haag. Dettmeyer was medewerker van Korsten en lid van de VVD. Hij was niet zo jong meer, 59 jaar, en verklaarde desgevraagd van ontwikkelingshulp niks te weten. Dit alles kwam de Haagse Post vreemd voor. Er werd een interview geregeld met de man achter de benoeming van Dettmeyer, Ben Korsten. De ontmoeting vindt plaatst in Rotterdam in het huis van Korstens tweede vrouw, Aadje van der Veen. Korsten zit op de bank en praat en praat, bijna vier uur lang.

De man die tot dat moment altijd achter de schermen was gebleven, loopt leeg. Een citaat: “Pietje (premier de Jong) is geweldig, een geboren leider, een man met veel hersenen en een groot bevattingsvermogen. Norbert (Schmelzer) is aalglad, het lijkt of je met hem alle kanten uit kunt.” En zo komen vele politici aan bod, veelal met de voornaam aangeduid. Of met een bijnaam. Over minister Marga Klompé zegt hij: “Voor Mamalou deed ik uitsluitend incidenteel werk.”

In een gesprek met Martin Ruyter van de Volkskrant doet Korsten het nog eens dunnetjes over: “Ik heb een vergadering met Udink gehad over het beleid. We gaan ons op minder ontwikkelingslanden concentreren. (…) Ik sta achter het beleid dat we nu op Ontwikkelingshulp doen en dat zetten Udink en ik keihard door.”

Politiek Den Haag is, om het zacht te zeggen, niet gecharmeerd van de openhartigheid van Korsten. Op de maandag volgend op het verschijnen ervan dineert het kabinet De Jong in hotel Des Indes. Bij de koffie vraagt minister Klompé aan premier De Jong en minister Udink nog even na te blijven. Udink herinnert zich het gesprek tot in de details. “Tot mijn verbazing zei Marga Klompé tegen mij: ‘Jij bent in een hele lelijke positie geraakt door die interviews van Korsten. Heel vervelend dat jij daar zo in zit.’ Daar was ik stomverbaasd van. Ik heb het even tot me door laten dringen en toen heb ik gezegd: ‘Marga, er zitten hier aan tafel naast mij twee andere mensen die zeer veel langer en dieper met de heer Korsten verbonden zijn dan ik. Ik ken hem pas sinds mei en de relatie zal door die interviews teneinde zijn. Dus ik begrijp je opmerking niet.”
Het is duidelijk: mevrouw Klompé probeerde Udink de affaire-Korsten in de schoenen te schuiven en daar was Udink niet van gediend.

In het kabinet wordt besloten dat de relatie met Korsten te beëindigen. Udink: “We waren van mening dat we de relatie niet konden voortzetten. Dat ging niet. En toen heb ik hem gebeld en het hem gezegd. Het was allemaal vreselijk droevig. Ik was op die man gesteld, ik vond het een aardige man. Zeer openhartig, intelligent, eerlijk en buitengewoon geestig. Ik had in die korte tijd van een paar maanden een persoonlijke, vriendschappelijke relatie met hem opgebouwd. Hij kwam ook wel bij mijn vrouw en mij thuis. Maar dit kon ik hem niet besparen.”

De voor de hand liggende vraag is: hoe kon Korsten zo dom zijn? Het voor de hand liggende antwoord: hij was de greep op de zaak kwijt. Maar het kan ook zo zijn dat Korsten wist dat de pers met publicaties over hem zou komen en dat hij, in een poging de zaak in de hand te houden, besloten had om te praten. Immers, dat deed hij zo vaak met journalisten. Hij werd dan nooit geciteerd. Dat zou nu wellicht ook kunnen. Veel zeggen en dan maar hopen dat de informatie vertrouwelijk zou worden behandeld. Dat pakte dus anders uit.

Opmerkelijk is wat oud-journalist Hoogendijk in dit verband zegt: “Hij had geen interviews moeten geven. Je moet niet vertellen wat je doet in Den Haag als je in die positie verkeert.” Impliciet zegt Hoogendijk dat hij geen moeite had met de activiteiten van Korsten – hij was immers een uitstekende informatiebron - maar hij had die nooit aan de grote klok moeten hangen.

Ferry Hoogendijk kreeg het verzoek van de minister Beernink; 'had hij wat drugs in huis?'

Verslaafd

'In radeloze staat'

 

Ongetwijfeld heeft de geestelijke en lichamelijke toestand van Korsten ook een rol gespeeld bij zijn loslippigheid. Het drinken was in de loop der tijd niet minder geworden en Korsten bestreed zijn neerslachtigheid met pillen en injecties. Hij spoot zich veelvuldig in met morfine. Eerst kreeg hij deze drug van zijn vriend de apotheker, later van een in Haagse kringen bekend medicus: dr. A. J. Ch. Haex.

Haex was internist in het Academisch Ziekenhuis van Leiden en had daarnaast een bloeiende praktijk als huisarts bij de fine fleur van Den Haag. Hij was de arts van Schmelzer, Veldkamp en anderen. Haex’ broer was staatssecretaris van Defensie. Toen Korsten in 1964 een maagbloeding kreeg, werd hij door Haex behandeld. Die gaf hem morfine en bleef dat doen tot eind 1967. Toen kwam Korsten bij de arts Engelbrecht terecht. Vele malen is de chauffeur van Korsten (Korsten liet zich in zijn hoogtijdagen per Rolls Roys van klant naar klant vervoeren) aan de deur van dokter Engelbrecht geweest om tegen betaling een voorraadje ampullen met morfine in ontvangst te nemen.

Korsten hield zijn verslaving zo zorgvuldig mogelijk geheim. Maar minister Veldkamp wist ervan. Begin jaren zestig vroeg Veldkamp aan dr. R. Kruisinga (CHU, de latere staatssecretaris van Volksgezondheid) om Korsten te behandelen aan een galsteenaanval. Veldkamp vroeg Kruisinga om morfine mee te nemen. Kruisinga ontmoette Korsten en zag dat het helemaal niet om galsteen ging. Korsten was verslaafd aan de morfine.

In de loop der tijd komen meer mensen in Den Haag te weten dat Korsten verslaafd is. Bijvoorbeeld journalist Hoogendijk, ook een patiënt van Haex. Hoogendijk: “In 1966 lag ik op bed met geelzucht en professor Haex behandelde mij. En Haex zei toen hij mij thuis kwam bezoeken dat ik niet teveel contact moest hebben met Korsten. Hij zei dat het slecht zou aflopen met Korsten. Dat advies heb ik toen opgevolgd.”

En een jaar later wordt voor Hoogendijk duidelijk wat die waarschuwing van dr. Haex precies betekende. “Op kerstavond 1967”, aldus Hoogendijk, “word ik opgebeld door de minister van Binnenlandse Zaken, Beernink, en die zegt tegen mij: ‘Zeg Hoogendijk heb jij nog wat drugs in huis voor ome Ben Korsten?’ Ik was flabbergasted, de minister van Binnenlandse Zaken of ik nog wat drugs heb liggen! Ik wist van niets!”

Diezelfde avond gaat ook de telefoon in huize Udink. Ben Korsten aan de lijn. De oud-minister: “Hij belde mij in een staat van wanhoop en zei: ‘Je moet onmiddellijk bij me komen.’ Ik ben naar hem toegegaan en trof hem aan in een absoluut radeloze staat. Ik had zoiets nog nooit meegemaakt. Die man die snelde van voren naar achteren door die kamer. Hij holde maar heen en weer, bonsde op de ruiten, was volkomen radeloos. Die vrouw, waar hij net mee getrouwd was, zat als een geschrokken vogeltje in een stoel. Het was ontzettend! En toen bleek, dat vertelde die vrouw, dat hij aan de drugs was en dat hij geen morfine had.”

Welke oplossing die avond gevonden is, blijft nog altijd in nevelen gehuld. Hoogendijk raadde minister Beernink aan om dr. Kruisinga in te schakelen. Kruisinga was toen staatssecretaris van Volksgezondheid. Kruisinga zocht vervolgens contact met het huis van Korsten en kreeg minister Udink aan de telefoon. Hij raadde Udink aan even te wachten, hij zou iemand sturen. Die is ook gekomen. Wie dat was weet Udink niet.

Udink heeft die man of vrouw in de flat van Korsten binnengelaten en is toen vertrokken.
Dr. Kruisinga weet zich het hele voorval niet meer te herinneren. Maar mocht het allemaal waar zijn, dan is het zeker niet zo dat hij (Kruisinga) die avond morfine heeft geleverd. Aldus Kruisinga.

Piet de Jong, voormalig premier, wist niet dat Korsten overleden was.

Een stille begrafenis

Mysterieuze dood

In de jaren 1968 en 1969 gaat het bergafwaarts. De interviews van september 1967 waren een enorme klap. Enny Mulder Korsten: “De gevolgen waren dat hij in een ongelofelijk diep gat viel. Hij voelde zich verraden. Of dat terecht was, weet ik niet. Maar hij voelde zich verraden en door iedereen in de steek gelaten. En dat was natuurlijk zijn ondergang. Hij kon het niet begrijpen dat als je jarenlang een vriendschap hebt voor iemand, dat ze je dan in de steek laten.”

Korsten heeft geprobeerd om van de drugs af te komen. Hij is een paar keer in een kliniek geweest. En op 21 augustus 1969 gaat hij naar de Ursulakliniek in Wassenaar. Dr. J. Vereecken, hoofd van de psychiatrische afdeling schrijft: “Patiënt kwam vergezeld van zijn verzorgster en zijn secretaris in zeer beschonken toestand binnen. (…) Bij opname was patiënt zo dronken dat hij erkende zes ampullen morphine daags te gebruiken. (…) In de loop van 26 augustus is de toestand van patiënt gaandeweg achteruitgegaan. (…) In de loop van de vroege ochtend van 27 augustus is patiënt gesuccombeerd. (…) Samenvattend moeten wij concluderen dat als meest waarschijnlijke doodsoorzaak een ondermijning van het weerstandsvermogen van patiënt in belangrijke mate heeft bijgedragen tot het fatale einde.”

“In belangrijke mate heeft bijgedragen tot”. Dat is wat anders dan “heeft veroorzaakt”. Ook hier weer mist. Enny Mulder-Korsten heeft nog steeds het gevoel dat iemand haar broer de dood in heeft geholpen. “Hij werd opgenomen in de Ursulakliniek. En toen ik daar voor de tweede keer op bezoek kwam, werd ik ondervraagd of ik drugs of spuiten bij me had. Zeer merkwaardig. Er was kennelijk vóór mij een onbekende geweest die hem een spuit gegeven had. Dat was dus niet iemand van de kliniek. Ik heb dat altijd heel gek gevonden. Of hij werkelijk om zeep gebracht is, dat sluit ik niet uit. Hij wist ongelofelijk veel van een helboel mensen in Den Haag. Maar ik heb geen bewijs.”

Ook Hoogendijk is bereid over de dood van Korsten te speculeren: “Ik kan mij niet voorstellen dat iemand hem van kant wilde maken, omdat Ben te veel wist. Maar zijn dood is altijd een mysterie gebleven en dat is toch vreemd.”

Op de begrafenis was dus, behalve Van Riel, niemand uit politiek Den Haag. Berend Jan (Udink) was in een buitenland, Ferry (Hoogendijk) weet niet meer waarom hij er niet was, Norbert en Carla (Schmelzer) waren net in Spanje, Piet (de Jong) wist niet dat Korsten dood was. Udink is niet trots op de behandeling die Korsten ten deel viel na de gewraakte interviews: “De politici hebben Ben Korsten behandeld op een wijze die gebruikelijk is wanneer iemand is geworden tot de gebeten hond. Dan vluchten ze weg. Zo handelen mensen als iemand is aangevreten. Weg wezen. Niet mee besmet raken!”

Tekst en reportage: Godfried van Run
Research: Hendrina Praamsma

Bronnen

BEELDMATERIAAL

Film: NAA filmarchief
Foto's: Spaarnestad foto archief, ANP, Elsevier, Haags Gemeente Archief

Speelfilm: De Mannetjesmaker (Hans Hylkema, 1983)

MUZIEK
'Carnaval des Animeaux' uitvoering van Peter Ustinov

Literatuur

Rudi van Meurs, Vrij Nederland van 12, 19 en 26 november 1983

Prof. Dr. G.M.J. Veldkamp, Herinneringen 1952-1967, Sdu uitgevers, Den Haag, 1993

Robbert Ammerlaan, Het verschijnsel Schmelzer, Sijthofff, Leiden, 1973

J. W. Brouwer en J van Merriënboer, Van buitengaats naar Binnenhof, P.J.S. de Jong, een biografie, Sdu uitgevers Den Haag, 2001