Meer verdieping op het gebied van geschiedenis? Kijk op NPOFocus.nl
↳ Enter om te zoeken
11 april 2009

De Reichsschule voor jongens

Reichsschule
Bekijk Video
26 min

“Wij willen kerels zien, die meer zijn dan schijnen, mannen die voor hun mening staan, die niet de niet bij ons ras behorende aarzeling hebben over wat goed en slecht is (…). Onze zonen moeten deze mannen van de toekomst zijn (…). Raszuiverheid alléén is weliswaar de grondslag waarop wij voortbouwen moeten (…). Opleiding en opvoeding zijn daarbij onmisbaar,” aldus een propagandafolder voor de Reichsschule voor Jongens, die in september 1942 in het bezette Nederland van start gaat. Deze nationaalsocialistische eliteschool voor middelbare scholieren wordt gevestigd in het voormalige jezuïetenklooster in het Limburgse Valkenburg.

In Duitsland hebben de nazi’s sinds 1933 al tientallen van dit soort internaten opgericht, de zogenaamde Napola´s (Nationalpolitische Erziehungsanstalten). Hier worden de leerlingen opgeleid tot ‘politieke soldaten’, de toekomstige militaire en bestuurlijke elite van het Derde Rijk. De elitescholen staan onder sterke invloed van Heinrich Himmlers SS, en besteden naast de gebruikelijke schoolvakken, veel aandacht aan politieke vorming en lichamelijke opvoeding; “In onze ogen moet de Duitse jongen van de toekomst slank en rank zijn, zo snel als windhonden, zo taai als leer en zo hard als Krupp-staal,” heeft Adolf Hitler gezegd. Alleen de besten onder hen zullen heersen, de rest moet werken en gehoorzamen.

Na de bezetting van Nederland willen de Duitse autoriteiten ook hier zo’n een Napola. Nederlanders behoren tenslotte ook tot het Germaanse ras, en dus zijn ook hier toekomstige leiders te rekruteren. In de zomer van 1941 wordt daarom de NIVO (Nederlandse Inrichting voor Volkse Opvoeding) in Schaarsbergen opgericht; een geheel op Nederlandse leest geschoeide eliteopleiding. Maar de Duitsers vinden het Nederlandse gehalte te hoog en de kwaliteit van de leraren te laag om strak de hand te houden aan de vereiste ideologie en discipline. Daarom moet de NIVO in 1942 al plaats maken voor de Reichsschule, geheel gevormd naar het Duitse Napola-model. In het nabij gelegen Heythuysen komt er een soortgelijke school voor meisjes. Volgens de wervingsfolder zal “de toekomst van het Nederlandse volk zeer gauw met die van het Duitse verbonden zijn.” Om de Duitse invloed in Valkenburg te waarborgen komt de leiding in handen van onderwijsleider Ernst Debusmann, die samen met een groep Duitse leerlingen van de Napola in Bensberg wordt aangetrokken.

<p> </p>

Een hele opluchting

“Voor mij was het niet plezierig om op de HBS te zitten”, vertelt Dick Woudenberg (1928). Hij is de zoon Hendrik Jan Woudenberg, een NSB-kopstuk van het eerste uur die ook na de Duitse inval een leidinggevende positie bekleedt. Dat komt de twaalfjarige Dick uit IJmuiden duur te staan als hij in 1940 naar de middelbare school gaat. Het jongetje wordt mikpunt van scheldpartijen van medeleerlingen en leraren: “De sfeer werd steeds grimmiger.” Ook Piet Reijnierse (1927) herinnert zich de pesterijen. Zijn vader, een failliete graanhandelaar uit Middelburg, sluit zich na mei 1940 aan bij de NSB. Piet, die dan samen met tweelingbroer Jan in de eerste klas van de HBS zit, krijgt het zwaar te verduren: “Dan was het, jouw vader is een vuile NSB’er”. Er vallen regelmatig klappen: “Totdat ik met twee blauwe ogen thuis kwam en mijn moeder in alle staten was,” vertelt Reijnierse. Dat is het moment dat zijn ouders besluiten dat het zo niet langer kan.

Ook de andere jongens zijn opgelucht als ze in 1941 van hun school mogen en via de NIVO op de Reichsschule terecht te komen. “Hier voelde ik mij veilig. Het was een opluchting om niet meer in die vijandige sfeer te zitten,” zegt Dick Woudenberg. “Ik wist dat het om een school ging met een militaire opleiding die het niveau had van een gymnasium. Ik had er zin in,” vertelt Julius Malsch (1930), zoon van een Duitse slager die in de jaren twintig naar het Zuid-Hollandse Monster emigreert en met een Nederlandse trouwt. Hij sympathiseert met de Nazi’s en geeft de twaalfjarige Julius op voor de Reichsschule, omdat hij erop vertrouwt dat zijn zoon daar een gedegen opleiding zal krijgen.

De selectie is zwaar. Honderden kandidaten worden niet alleen op hun schoolprestaties en lichamelijke capaciteiten beoordeeld, maar ook op de juiste Arische raskenmerken. “Dan werd je hoofd opgemeten” vertelt Malsch: “Wij begrepen dat niet helemaal en vonden het lastig, maar het moest gebeuren.”

“Toen mijn broer en ik geselecteerd werden, was mijn vader zo trots als een pauw. En als ik eerlijk ben, waren wij dat ook wel,” herinnert Piet Reijnierse zich. De kunstzinnige Woudenberg is geen briljante sporter en zakt voor de moedproef als hij niet van de hoge duikplank afdurft. Hij denkt dat hij toch wordt aangenomen omdat hij goed piano speelt en beschikt over een mooie jongenssopraan: “Gelukkig zat er een muziekleraar in de selectiecommissie, die zei dat we later bij de leiders van het Groot Germaanse Rijk ook lieden nodig zouden hebben die iets van kunst afwisten”.

<p> </p>

Gewone jongens op een ongewone school

“Vanaf het begin heb ik het daar heel aangenaam gevonden, spannend ook. Je voelde je als jongetje van twaalf toch bijzonder. Uitverkoren.” vertelt Julius Malsch. “We waren gewone jongens op een ongewone school, omdat hij opleidde tot politieke leiders in het komende Groot Germaans Rijk,” zegt Dick Woudenberg. De Reichsschule biedt plaats aan ruim honderdvijftig jongens, van tien jaar en ouder. Ook de leraren zijn van Duitse en Nederlandse afkomst. Sommigen hebben geheel volgens de Napola-traditie bij de Waffen-SS gediend; de beste opvoeders waren diegene die aan het front waren geweest. De discipline is groot en vrijblijvendheid wordt niet geduld. De voertaal is Duits en er heerst een strikte hiërarchie: “Het motto was: Wie commanderen wil, moet eerst leren gehoorzamen,” vertelt Julius Malsch.

Toch is er zeker ook oog voor emotionele zaken. Heimwee bijvoorbeeld wordt door de geliefde en pedagogisch bekwame Debusmann bespreekbaar gemaakt, en er is een zogenaamde “Heimmutter”, een aardige weduwe die emotionele bijstand levert aan kinderen die dat nodig hebben.

Net als op de gewone HBS, krijgen de jongens onder andere Duits, Nederlands, Latijn, geschiedenis, wis- en natuurkunde, en zelfs Engels. “Het waren over het algemeen uitstekende leraren,” zegt Dick Woudenberg. “Sommigen heb ik zelfs bewonderd, maar zij waren net als wij misleid.” Na de middagpauze wordt er vooral gewerkt aan de lichamelijke opvoeding die essentieel is volgens de nazi’s: Alle sporten die naar eigen zeggen “het lichaam trainen, het karakter sterken en het stalen van den moed aankweken” worden beoefend.

’s Avonds wordt er huiswerk gemaakt of gemusiceerd. Muziekonderwijs is belangrijk op de Reichsschule en staat op een hoog niveau. Men wil complete nationaalsocialisten afleveren, die ook hun geestelijke en creatieve krachten gebruiken. Daarom moet iedereen in het schoolkoor zingen en een muziekinstrument bespelen. De muzikale Woudenberg geniet van deze lessen. Hij bespeelt de schellenboom; een groot opvallend instrument, een soort rechtopstaande xylofoon, wat hem een zeker aanzien geeft: “Ik denk daar met veel plezier aan terug.”

Met trots dragen de Jungmannen, zoals de leerlingen formeel heten, hun Reichsschule- uniform. “Het was een herkenbaar uniform, behoorlijk soldatesk, met een koppel en een kepie op het hoofd,” vertelt Dick Woudenberg: “We moesten ervoor zorgen dat het uniform er goed uitzag, goed geborsteld met alle knopen eraan. Schoenen moesten uiteraard iedere dag gepoetst worden.” Piet Reijnierse: “Het waren mooie pakjes. De meisjes keken je na op straat.”

Julius Malsch herinnert zich dat het gewoon een militaire opleiding was, die naast de schoolopleiding liep: “Het ging allemaal zoals in een kazerne. Je moest bijvoorbeeld ’s ochtends voor het ontbijt aantreden voor het hijsen van de vlag.” Er wordt eindeloos gemarcheerd waarbij vaak strijdliederen gezongen worden: “Marcheren was bijna iets heiligs, want je marcheerde voor Hitler, voor de vrijheid, voor het vaderland, de offerbereidheid en voor de vlag, een heilig icoon,” aldus Woudenberg.

<p>Aardrijkskunde op de Reichsschule</p>
Aardrijkskunde op de Reichsschule

Aan het infuus

“Kritiek bestond bijna niet en bovendien leefden we in een isolement. De werkelijkheid kwam niet zo binnen”, legt Dick Woudenberg uit. Binnen de veilige kloostermuren van Valkenburg is het vooral Debusmann, die uitleg geeft over het nationaalsocialistische gedachtegoed, en de frontbewegingen en de Duitse kranten bespreekt. Wat er zich werkelijk afspeelt in Duitsland en aan het front krijgen de jongens niet te horen. De oudste leerlingen luisteren soms naar redevoeringen van Hitler om daar een opstel over te schrijven. “Dat was een ramp voor mij” zegt Piet Reijnierse: ”Ik snapte er geen draad van.”

Toch wordt Hitler op handen gedragen, vertelt Malsch: “Hij was een onaantastbaar figuur, een soort god.” In alle kamers hangt dan ook een portret van de Führer. Van meet af aan werd de Jungmannen duidelijk gemaakt dat zij beter zijn dan anderen; zij zijn Ariërs waaraan andere volken ondergeschikt zijn. Malsch: ”Over joden kregen we te horen dat ze minderwaardig waren, een soort ongedierte. Maar dat ze daadwerkelijk uitgeroeid werden, dat werd niet gezegd. Zo subtiel waren ze wel.”

Volgens Dick Woudenberg was het alsof je aan een infuus lag: “De beïnvloeding, toch wel een vorm van vergif, druppelde dagelijks binnen. Het zat in het lesprogramma ingeweven, maar zodanig dat wij het niet als beïnvloeding opmerkten.” Ook via de strijdliederen moet de jongens het nationaalsocialistische ideaal worden bijgebracht van de Nieuwe Orde die aanstaande was en offerbereidheid daarvoor. “Er werd ons ook grote bescheidenheid geleerd. Jij bent niets, je volk is alles, en in het teken van die dienstbaarheid stond de hele opleiding.”

Sterven voor het vaderland wordt steevast uitgelegd als de heldendood, waardoor je vereerd zou worden. Het maakt grote indruk op de pubers: “Jongens van mijn leeftijd koesterden allemaal de hoop dat de oorlog nog lang genoeg zou duren zodat wij soldaat konden worden. Het was de tijd van heroïek en heldendom. Ik was ervan overtuigd dat de zege onvermijdelijk was en dat het Groot Germaanse Rijk ook echt zou komen.” Ook Woudenberg is daarvan overtuigd: “Wij dachten toen nog: voor Führer, Volk en Vaderland. Nu weet ik dat het een misdaad was.”

soldaten keurig in het gelid

Evacuatie

Tot de zomer van 1944 beleven de Jungmannen relatief zorgeloze jaren in Valkenburg. Het oorlogsfront is ver weg. Af en toe komen er berichten van oud-leerlingen die in dienst van het Duitse leger de heldendood zijn gestorven. Het maakt grote indruk, maar het geloof in de eindoverwinning wordt er niet minder op volgens Dick Woudenberg, die een aantal van die jongens goed heeft gekend: “We waren geconditioneerd, geprogrammeerd, zeg maar gehersenspoeld.” Maar als de geallieerden in september 1944 hun opmars richting Limburg voortzetten, wordt de situatie nijpend. De schoolleiding besluit de leerlingen naar het ‘veilige’ Duitsland te evacueren en te stationeren op de bevriende Napola van Bensberg, bij Keulen.

Duitsland heeft dan de ‘Totaler Krieg’ afgekondigd en ook de Jungmannen moeten een bijdrage leveren door te helpen aan de Westwall: de Duitse verdedigingslinie, die de geallieerde opmars moet keren. “We hebben loopgraven gebouwd, tankvallen gemaakt en ook schuttersgaten gegraven” vertelt de toen 14 jarige Malsch: “We waren nog te jong om echt soldaat te worden, maar er werd een beroep gedaan op ons plichtbewustzijn. We moesten helpen om de oorlog te winnen.” Ook Piet Reijnierse helpt aan de Westwall: “We werden behoorlijk aan het werk gezet, onder toezicht van de SS.” Het werk is niet ongevaarlijk; De jongens worden een aantal keer vanuit de lucht beschoten.

Als de geallieerden eind 1944 steeds verder oprukken, moeten de Jungmannen steeds dieper Duitsland in om het front voor te blijven. Ze belanden op de Napola van Naumburg. Hier krijgen ze daadwerkelijke gevechtstraining en leren ze met geweren omgaan. Geregeld komen er ronselaars voor het Duitse leger langs: wie oud genoeg is, kan zich vrijwillig melden. Volgens Piet Reijnierse oefent een aantal rijk gedecoreerde SS-officieren zware druk op hem en zijn tweelingbroer Jan uit: “Je kunt kiezen voor het heldendom en dienst nemen bij het Duitse leger of je laten afvoeren naar een werkkamp.” De zeventienjarige jongens besluiten dat Piet zal tekenen en Jan niet, in de hoop dat één van de jongens de oorlog overleefd. Zeven andere jongens uit Valkenburg tekenen op dat moment ook voor de Germaanse SS en vertrekken in januari 1945 om klaar te worden gestoomd voor het front.

Julius Malsch als 'Jungmann'
Julius Malsch als 'Jungmann'

Sterven voor de Führer

De rest blijft voorlopig in Naumburg, inclusief Jan Reijnierse, die niet naar een werkkamp wordt gestuurd. De oorlog en de chaos komen steeds dichterbij. Er is een groot gebrek aan voedsel en er zijn voortdurend geallieerde luchtaanvallen. Toch gaan de lessen gewoon door. In maart moeten de jongens weer evacueren. Nu naar een Napola dichtbij de Deense grens. De jongste leerlingen, inclusief Julius Malsch, blijven tot de het einde van de oorlog hier. Maar een week voor de Duitse capitulatie, moeten de oudste leerlingen, waaronder de zestienjarige Woudenberg, zich toch nog melden bij een uitgeputte eenheid van de SS Totenkopf: “Om te sterven voor de Führer. Het was waanzin die echt heeft bestaan.” Van vechten komt het gelukkig niet meer. De commandant van de eenheid weet de jongens veilig door die laatste oorlogsdagen heen te loodsen, in de hoop in handen van de geallieerden te vallen.

Heel anders vergaat het Piet Reijnierse. In maart 1945 wordt hij naar het front bij het Nederlandse Ochten in de Betuwe gestuurd. De jonge en onervaren Reijnierse maakt verschillende mortieraanvallen en beschietingen mee, waarbij kameraden voor zijn ogen sneuvelen: “Ik was doodsbang, dat mag iedereen weten,” vertelt hij geëmotioneerd. De opluchting is groot als begin mei de oorlog voorbij is. Hij wordt afgevoerd naar de Harskamp, een interneringskamp voor Nederlanders die bij de SS hadden gediend. Hier zit hij een jaar onder erbarmelijke omstandigheden vast; het kamp is overvol, er is veel te weinig eten en de bewakers reageren hun haat tegen de voormalige bezetters vaak op de gevangenen af.

Dick Woudenberg wordt met zijn eenheid door de Engelsen gevangengenomen. Via Bergen Belsen belandt hij in kamp Vught. Daar hoort de jongen voor het eerst van de vernietigingskampen: “Dat was de dag dat de hele wereld wegzonk”.

Piet Reijnierse tijdens de oorlog
Piet Reijnierse tijdens de oorlog

Worsteling

“Voor de meeste mensen van mijn leeftijd die zo’n opleiding hebben gehad heeft het jarenlang geduurd, voordat je begreep wat er was gebeurd en er helemaal vrij van werd. Ik wilde eerst die verhalen over Auschwitz ook niet geloven,” zegt Julius Malsch, nu meer dan zestig jaar later. Malsch is na de bevrijding via allerlei omzwervingen in West-Duitsland terecht gekomen. Schuldgevoelens heeft hij niet echt: “Ik was te jong om in het systeem een misdaad te begaan.” Malsch vertelt dat hij geen nadeel heeft ondervonden als oud-leerling van deze eliteopleiding: “In Duitsland, in tegenstelling tot Nederland, strekte een opleiding op deze school tot aanbeveling, omdat een werkgever natuurlijk wist dat daar geen imbecielen op hadden gezeten.”

Piet Reijnierse kijkt heel anders terug en vooral op die laatste maanden als jonge frontsoldaat: “Ik heb mijn hele leven met een oorlogstrauma rondgelopen. Ik heb veel angsten gekend.”

Dick Woudenberg worstelt jaren om in het reine te komen met zijn verleden: “Je zou het een existentiële verwarring kunnen noemen, gepaard met een intens schuldgevoel. Hoewel jong en onbeduidend, was ik toch een raderwerkje geweest in die grote machinerie. En schaamtegevoel, dat ik nog leefde terwijl er heel veel mensen zijn gesneuveld als slachtoffer van deze waanzin. Maar ook een loyaliteitsconflict met mijn ouders. Ik hield van hen, maar ik dacht wel: jullie hebben mij toch op het verkeerde pad gezet.” Pas als Woudenberg eind jaren ’50 zijn vrouw ontmoet begint het herstel: “Ze was niet alleen heel mooi maar ook een pientere studente die veel mannen om haar heen had. Toen zij zei, ik trouw met jou en niet met je vader, heeft mij dat zo veel bevestiging gegeven, dat ik op dat moment de shit achter me kon laten. Er is maar één wet, en dat is hebt lief.”

Tekst en research: Carolien Brugsma
Samenstelling en regie: Paul Ruigrok

Geïnterviewden Bronnen
  • Piet Reijnierse, oud leerling Reichsschule
    Piet Reijnierse

    Oud leerling Reichsschule

  • Julius Malsch, oud leerling Reichsschule
    Julius Malsch

    Oud leerling Reichsschule

  • Keurkinderen

    Paul van der Steen, ‘Keurkinderen. Hitlers elitescholen in Nederland’ (Amsterdam, 2009).

  • Van Nivo tot Reichsschule

    David Barnouw, ‘Van Nivo tot Reichsschule. Nationaal-socialistische onderwijsinstellingen in Nederland.’ In: ‘Cahiers over Nederland en de Tweede Wereldoorlog’ (Den Haag, 1981).

  • ‘Als je het verleden kunt aanvaarden is er weer een toekomst

    Piet Reijnierse, ‘Als je het verleden kunt aanvaarden is er weer een toekomst. Oorlogsherinneringen’ (Middelburg 2005).

Vragen?

Heeft u vragen, ideeën of opmerkingen?

Neem dan contact op met de redactie: