↳ Enter om te zoeken
13 maart 2008

Het Lubberskampement

Andere Tijden, 13 maart 2008 Lubberskampement
Bekijk Video
1 min

Al in 1993 pleitte Ruud Lubbers voor het instellen van ‘kampementen’, waar jonge boefjes eens stevig zouden worden aangepakt. Heel Nederland viel over hem heen, maar het ‘Lubbers-kampement’ is er gekomen, verscholen in de bossen van het Drentse Veenhuizen. In Andere Tijden kijken ze terug: het gevangenishoofd, de gedetineerden, de projectleider en de politiechef die Lubbers op het idee had gebracht.

Het 'Lubberskampement' in andere Tijden, donderdagavond 21:25 op Nederland 2

Ruud Lubbers
 

Zou Ruud Lubbers hebben voorzien dat één klein woordje zo’n effect zou hebben? Op 15 maart 1993 hield de premier een speech op een CDA-bijeenkomst, in Almere. Lubbers noemde daar ook het groeiende probleem van de jeugdcriminaliteit. In een kort maar vlammend betoog zei hij dat criminele jongeren nu eindelijk eens stevig moesten worden aangepakt en dat ze aan het werk moesten worden gezet. Maar wel onder stevige bewaking, ‘in organisaties, in inrichtingen, in kampementen, hoe je het ook wil organiseren’. De volgende dag viel heel links Nederland over Lubbers heen. Kampementen, vooral dat woord – besmet door de Tweede Wereldoorlog – viel niet best. Zeker niet toen Lubbers een paar dagen later opperde dat de heropvoeding in die kampementen best door oud-militairen kon gebeuren. Half Nederland stond op zijn kop.

Peter IJzerman

De visie van korpschef IJzerman

Peter IJzerman, destijds korpschef van de politie Twente, volgde het nieuws met verbazing. Toch had hij persoonlijk het proefballonnetje van Lubbers opgeblazen. Op de middag van de 15e maart had IJzerman een gesprek gehad met Lubbers in het Torentje, samen met de andere korpschefs (Wiarda, Nordholt, Hessing en Van Hulst). IJzerman, inmiddels met pensioen, herinnert zich: ‘In dat gesprek heb ik aandacht gegeven aan de jeugdcriminaliteit en de wenselijkheid om daar wat diepgaander mee bezig te zijn.’ Hij had verteld over een experiment van de politie Twente, waarbij jonge criminelen intensief werden begeleid in opleiding of werk, om ze terug te krijgen op het rechte pad. Daarbij was veel aandacht voor hun meestal problematische gezinssituatie.

‘Lubbers reageerde daar heel constructief op. Maar ik weet heel goed dat een van mijn collega’s dat onmiddellijk koppelde aan een ander vraagstuk waar Den Haag mee worstelde: de afbouw van de krijgsmacht. “Dan zet je er een sergeant-majoor bij en die zal ze wel drillen”.’ Dat was nou precies níet wat IJzerman wilde. ‘Ik heb zelf nooit geloofd in alleen een harde aanpak. Dat roept alleen agressie op.’ IJzerman wilde jonge criminelen juist opvoeden en opleiden, zodat ze ‘tot een redelijk normaal burger in de samenleving konden uitgroeien’. Heropvoeding, niet al te soft, maar wel op de juiste manier. ‘Dat doe je niet met sergeant-majoors, dat moet je met profs op dat terrein doen’. Diezelfde avond zag hij Lubbers terug op het Journaal. ‘Ik was overrompeld door de snelheid. Hij heeft het gepresenteerd als een aanpak in de militaire context en dat was niet wat ik had gesuggereerd. Maar de dingen lopen nu eenmaal zoals ze lopen…’

De kampementleden moeten voor straf opdrukken

Het kampement als hype

‘Ik wilde in ieder geval een stormbaan en prikkeldraad. Voor het psychologische effect in de pers’. Hans van der Meijs werd kort na de speech van Lubbers aangewezen als projectleider van het prestigieuze experiment. Plotseling was er geld, veel geld, maar ook grote haast. Nu het plan zo’n hype was geworden moest en zou het slagen, en wel snel. In de troonrede werd de Jeugd Werk Inrichting al aangekondigd – de term ‘kampement’ zou iedereen voortaan angstvallig vermijden - en op 1 januari 1994 ging het experiment officieel van start. Het traject bestond uit drie fases op verschillende plekken, maar de basis lag in het Drentse Veenhuizen. ‘De Rolpaal’ was volgens Van der Meijs ‘een lust voor het oog van diegenen die een ouderwets kampement wilden hebben.’ Hoge hekken, prikkeldraad, stormbaan... kortom, alles waar links Nederland van ging steigeren.

Van der Meijs was (en is) zelf niet vies van een ferme aanpak van wat hij steevast ‘boeven’ noemt. En toch was die stoere schijn maar een deel van het verhaal. Inderdaad, de jongens in Veenhuizen werden hard aangepakt, zowel fysiek als psychisch. Ze moesten elke dag zwaar werk doen in de bossen, minimaal een keer per week de slopende stormbaan, allemaal opdrukken als iemand zich niet aan de regels hield, er was voortdurend verplicht corvee en zelfs het niet opmaken van je bed werd bestraft. Maar dat was niet het hele verhaal. Er waren ook bijna dagelijks gespreksgroepen, lessen in lezen en schrijven, voorlichting over alcohol en drugs, agressietraining, uitgebreide individuele assessments, en enorme inspanningen om iedereen aan een geschikte baan te helpen. De JWI was een unieke mengeling van keihard drillen, individuele aandacht en het geloof in de maakbaarheid van de mens. Van der Meijs: ‘Wat Lubbers bedoelde waren gewoon kampen, niets meer. Wij hebben dat “verpenitentieerd”, zoals dat heet’.

rekstok

Het experiment ‘mislukt’

 

Johan van Maaren was unithoofd van ‘De Rolpaal’ en heeft meegeholpen het regime in Veenhuizen te ontwikkelen. Hij houdt niet van overdrijven. ‘Je moet het niet moeilijker maken dan het is. Je kijkt gewoon hoe je zelf je kinderen opvoedt. En zo probeer je het bij die jongens ook’. Terugkijkend zegt hij: ‘Het is mijn mooiste tijd bij justitie geweest’. Van Maaren werkt nog steeds met gedetineerden in Veenhuizen, maar waar ooit ‘De Rolpaal’ stond ligt nu een verlaten grasveldje. Het gebouw is vorig jaar afgebroken (het voldeed niet meer aan de veiligheidseisen), maar de JWI was al eerder verdwenen. In 1997 besloot minister Sorgdrager van Justitie om het experiment niet voort te zetten. Redenen: de resultaten vielen tegen; de kosten waren hoog en de juridische constructie was omstreden. Het project heeft toch nog doorgesudderd tot 2000, maar toen viel het doek echt. Tot grote spijt van Johan van Maaren en de oud-bewaarders, die stuk voor stuk een gouden tijd hebben gehad bij de JWI. ‘Een gemiste kans’, noemt Van Maaren het.

De JWI was bedoeld voor jonge criminelen (tussen de 18 en 23 jaar), die een gevangenisstraf van zes tot 24 maanden tegemoet konden zien. Van Maaren: ‘Je moest een behoorlijke gevangenisstraf tegoed hebben. Meestal waren het jongens die in de A of de A+ categorie zaten en die voor gewapende overvallen vastzaten.’ Van Maaren kreeg de jongens aangeleverd door de officiers van justitie (in samenwerking met reclassering) uit drie regio’s: Almelo, Rotterdam en Hoorn. In die drie steden zat ook de bovenbouw van de JWI. Als de jongens de basis in Veenhuizen goed hadden voltooid, na een maand of zes, mochten ze naar een half-open gevangenis bij hen in de regio. Vanuit daar volgden ze, onder begeleiding, een opleiding of kregen ze een baantje. Door de week zaten ze ’s avonds en ’s nachts vast, maar in het weekend mochten ze naar huis. Na weer ongeveer een half jaar waren ze in principe vrij, maar was er nog wel intensief reclasseringstoezicht. Al met al duurde de JWI 15 maanden.

De buitenmuur van het kampement

De mening van twee ex-kampementleden

Vrachtwagenchauffeur Martijn was de eerste bewoner van ‘De Rolpaal’. ‘Ik leefde een beetje naast de wet en ik had een paar domme dingen gedaan. Ik werd voor de keuze gezet: of dit, of de gevangenis’. Hij koos voor Veenhuizen. Achteraf zegt hij eerlijk: ‘In het begin was het een mooie uitvlucht om niet in de bajes te komen’. In Veenhuizen werden Martijn en de anderen meteen aan het werk gezet: takken van bomen zagen, boomstammen verslepen, bruggen bouwen: de hele dag zware arbeid. Daarnaast was er bijna elke dag sport, en dan ’s avonds ook nog een inhoudelijk programma. Eerst verplicht met zijn allen het acht uur journaal kijken, en daarna les. Taal, rekenen, agressietraining, assessment… De jongens waren de eerste weken volstrekt gesloopt. En dat was ook de bedoeling.

Disciplineren en structuur geven, daar ging het om. ‘Het was zwaar’, geeft Van Maaren direct toe, ‘maar je hield wel rekening met gevoelens. Op het moment dat je jongens afbreekt moet je ze ook weer opbouwen’. ‘De bedoeling was om ze wat harder te maken zodat ze tegen hun oude vrienden zouden zeggen: ik wil niets meer met jullie te maken hebben.’ Bij Martijn is dat aardig gelukt. Hij heeft een baan, een huis, een vrouw, een kind, wat wil een mens nog meer? Wat hem betreft mogen ze de JWI vandaag nog opnieuw opstarten. ‘Ze hebben me met beide benen op de grond gezet. Ik denk dat het een goede opleiding is voor jongeren. Je bent van een spoor af en zij hebben me weer op de rails gezet’.

Ex-JWI’er Ceylan is een stuk minder enthousiast. ‘Als ik het geweten had dan was ik er nooit naartoe gegaan.’ Hij koos voor de JWI in de hoop op strafvermindering, maar eenmaal aangekomen in Veenhuizen haatte hij het ‘strafkamp’. ‘Ik zit liever met tv en radiootje op de cel, dit was niks. Je werd de hele dag onder druk gezet’. Het heeft hem bovendien geen strafvermindering opgeleverd, want uiteindelijk moest hij alsnog de bak in. Na een paar weken in de tweede fase, in Hoorn, kwam hij niet meer terug van weekendverlof. Dat betekende terug naar de cel. Ceylan haalt zijn schouders er over op. ‘Dat interesseerde me niet’. Het enige wat hij wel ok vond was Van Maaren, ‘dat was wel een goeie kerel’.

Hans van der Meijs

Geen wonderkamp

Ceylan was niet de enige met wie het mis ging in de bovenbouw. Na het straffe regime van Veenhuizen konden veel jongens de relatieve vrijheid in de tweede fase niet aan. Projectleider Van der Meijs onderkende het probleem, maar hij kon er weinig aan doen. In de bovenbouw zaten per instelling soms maar vijf jongens tegelijk en dat maakte de bewaking relatief duur. Van der Meijs: ‘Het was te duur om er ook in het weekend bewaking op te zetten. Of je nu één of twintig man moest bewaken, je had er een vent voor nodig. En het kostte al zoveel!’

Misschien lag het aan die vrije weekenden, maar de resultaten van de JWI waren niet spectaculair. Al na drie jaar verscheen een rapport, waaruit bleek dat bijna de helft tussentijds afhaakte en dat van de overgeblevenen iets meer dan de helft al snel weer in aanraking met justitie kwam. Vergeleken bij de recente resultaten van Glenn Mills (78% recidive) viel het nog mee, maar dit waren toch ook geen resultaten om politiek mee te scoren. Johan van Maaren heeft de cijfers langer bijgehouden. In de zes jaar dat de JWI heeft bestaan, hebben zo’n 250 jongens meegedraaid. Gemiddeld kwam zo’n 70% van hen opnieuw in aanraking met justitie. En toch blijft hij positief. Hij weet van meer jongens als Martijn, die dankzij de JWI een nieuwe weg zijn ingeslagen. ‘Je zag ze echt veranderen’. Iedere jongen die je weer op het rechte pad kan krijgen is er één (en bespaart de maatschappij weer een hoop geld). En verder moet je geen wonderen verwachten, zo nuchter is hij ook.

Één van de bezigheden in het kampement: houthakken

De successen van het kampement

Die zeventig procent recidive is niet het hele verhaal. Er was namelijk een opvallend verschil in resultaat tussen de drie deelnemende regio’s. De jongens uit Rotterdam en vooral uit Almelo deden het, met een successcore van zo’n 40%, een stuk beter dan de jongens uit de regio Hoorn. Waar lag dat aan? Zijn Noord-Hollanders minder maakbaar dan Tukkers? Volgens Perry Quak, advocaat-generaal in Arnhem, hield dat verschil direct verband met de verschillende juridische constructies. Als officier van justitie, toen nog in Almelo, was hij nauw betrokken bij de JWI. Nog steeds is hij een warm pleitbezorger van het kampement dat geen kampement mocht heten. ‘Er zijn ontzettend veel successen geweest. Het is een onrecht dat men de JWI heeft afgeschoten’.

Je kon op twee manieren de JWI binnenkomen: via het ‘executiemodel’ en via het ‘aanhoudingsmodel’. Het verschil zat hem in het moment van het vonnis. In het eerste model werd de delinquent veroordeeld vóór hij naar Veenhuizen ging; in het tweede model werd het vonnis uitgesteld. Er werd wel een inschatting gemaakt, maar de definitieve straf kwam pas als de betreffende jongen de JWI had afgemaakt. Dat laatste had enorme voordelen. Elke drie maanden moest zo’n jongen voor een tussentijdse rapportage naar de rechtbank komen. Quak: ‘Dan moesten ze op het matje komen en werden ze streng toegesproken’. Het aanhoudingsmodel was een stevige stok achter de deur. Quak: ‘Het voordeel van onze methode was, dat je bij een fout niet meteen werd afgerekend. Dan merken die jongens ook dat je de mogelijkheid hebt een fout te herstellen. En dat werkte.’

Andere Tijden 13 maart 2008 houthak 2

Een toekomstig kampement?

 

De korpschef, de projectleider, het unithoofd, de officier van justitie, de eerste bewoner: allemaal vinden ze dat de JWI een tweede kans verdient. Maar dan wel in aangepaste vorm. En over die precieze uitwerking zouden ze nog wel eens flink van mening kunnen verschillen. Alleen Ceylan zegt uit de grond van zijn hart: ‘Ik ben blij dat het niet meer bestaat’. En Lubbers, wat vond hij er nu eigenlijk van? Kort nadat hij zijn idee had gelanceerd kwam het eerste Paarse Kabinet aan de macht en verdween hij naar de achtergrond. Johan van Maaren heeft Lubbers, toen de JWI goed en wel op stoom was, een brief geschreven. ‘Ik heb hem nog een keer uitgenodigd om te komen kijken. Ik kreeg een brief terug van een secretaris, dat hij geen tijd had. Hij is nooit gekomen.’ De premier was geen premier meer, het CDA uit het kabinet verdwenen, de JWI vergeten. Zo gaat dat soms met proefballonnetjes.

Tekst en research: Laura van Hasselt
Samenstelling en regie: Hein Hoffmann

Bronnen

 

Beeldmateriaal

Op 15 maart 1993 hield Lubbers zijn toespraak over de ‘kampementen’ op een partijbijeenkomst in Almere. De toespraak haalde diezelfde avond o.a. het NOS-journaal. Vier dagen later gaf Lubbers een toelichting in NOVA/Gesprek met de minister-president (NOS, 19-3-1993). Daarna is in diverse programma’s, die niet allemaal in de uitzending zitten, gediscussieerd over het plan. Op Prinsjesdag haalde de Jeugd Werk Inrichting (JWI) zelfs de toespraak van de koningin (NOS, 21-9-1993).

Ruim een jaar na de toespraak van Lubbers werd ‘De Rolpaal’ in Veenhuizen officieel geopend door staatssecretaris Aad Kosto. (NOS-journaal, 7-4-1994). Feitelijk draaide de JWIg toen een aantal maanden. Verder zijn er beelden gebruikt uit het programma Twee Vandaag (Veronica, 10-1-1995), een reportage over ‘De Rolpaal’ in Veenhuizen, toen de JWI een jaar liep. Ook in Netwerk (KRO, 18-07-1997) zijn opnames uit Veenhuizen en interviews met gedetineerden te zien, gemaakt toen net bekend was dat het experiment niet zou worden voortgezet.

De beelden van het werkschip ‘De Tukker’, een van de inspiratiebronnen voor de bedenkers van de JWI, komen uit Van Gewest tot Gewest (NOS, 18-12-1991).

Muziek

‘Heyo Captain Jack’ (Captain Jack, 1996).

‘First breath after coma’ (Explosions in the sky, 2003).

Andere Tijden 13 maart 2008 Het kampement

Literatuur

Literatuur

Jongeren werken aan hun toekomst. Assessment. Jeugd Werk Inrichting “de Rolpaal” (Assen 1995).

H. van der Meijs en J. Verhagen, Dat zit goed vast. Een wandeling door het land van de lik (Zutphen 1998).

A. de Regt, ‘De harde aanpak’ in: Macht en verantwoordelijkheid (Amsterdam 2007).

E.C. Spaans, De Jeugd Werk Inrichting binnenstebuiten gekeerd. Onderzoek naar de resultaten van de Jeugd Werk Inrichting en het project Binnenste Buiten (Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum Ministerie van Justitie, 1997).

Voor wie geïnteresseerd is in de vroegere geschiedenis van gevangenisdorp Veenhuizen verscheen onlangs: S. Jansen, Het pauperparadijs. Een familiegeschiedenis (Amsterdam 2008).

Ceylan
Ceylan
Hans van der Meijs
Hans van der Meijs
Martijn
Martijn
Johan van Maaren
Johan van Maaren