Meer verdieping op het gebied van geschiedenis? Kijk op NPOFocus.nl
↳ Enter om te zoeken
13 maart 2014

Black Tulip

Black Tulip Screenshot
Bekijk Video
30 min

De bevrijding van Nederland in 1945 blijkt niet voor alle inwoners in Nederland een bevrijding te zijn. Veel mensen worden opgepakt; niet alleen NSB-ers maar ook Duitsers die al tientallen jaren in Nederland wonen, getrouwd zijn met Nederlandse vrouwen en kinderen hebben. Zij krijgen te horen dat ze als vergelding voor de geleden schade moeten worden uitgezet.


Minister van justitie Kolfschoten besluit dat alle 25.000 Rijksduitsers ons land uit moeten - zonder aanzien des persoons. Deze operatie krijgt de codenaam Black Tulip. Kolfschoten krijgt veel steun voor zijn plannen maar er is ook verzet.


Andere Tijden over een onbekende bladzijde uit de naoorlogse periode.

Compensatie

Weg met de moffen

Nederland is tijdens de oorlog zwaar getroffen: er is zeer veel schade door bombardementen, het Rijnvaartverkeer ligt stil en veel machines uit fabrieken zijn gedurende de oorlogsjaren naar Duitsland verdwenen. Nederland is onttakeld en de Nederlanders zijn uitgeput. De twee belangrijkste pijlers van onze vooroorlogse welvaart, het economische verkeer met Duitsland en met Nederlands-Indië, zijn tot stilstand gekomen.

De stemming in Nederland is rancuneus en de politiek ten opzichte van Duitsland is bepaald: Nederland dient bij de geallieerden een rekening in van 25 miljard gulden, ongeveer het tienvoudige van wat er werkelijk aan schade is. Ook komt een discussie op gang over annexatie van Duits grondgebied. Het gaat om ongeveer 150 kilometer ten oosten van Nederland. Een speciaal ingestelde staatscommissie brengt een advies uit aan de regering. In het najaar van 1944 voorziet de Nederlandse regering in Londen een spoedig einde van de oorlog en zinspeelt op compensatie voor de geleden oorlogsschade. Toch begrijpt men in Nederland ook heel goed dat het economisch verkeer met Duitsland op gang moet worden gebracht en vragen ze de geallieerden er voor te zorgen dat het welvaartspeil in Duitsland wordt hersteld omdat Nederland daar ook van afhankelijk is.

Behalve annexatie van Duits grondgebied en een financiële compensatie besluit de regering dat alle Rijksduitsers die in Nederland wonen moeten worden uitgezet. De eerste plannen voor uitwijzing stammen uit het begin van de periode van het kabinet Schermerhorn-Drees (1945-1946). Direct na de bevrijding zijn er zeer veel mensen die verdacht werden van een of meerdere vormen van collaboratie met de bezetter. Om hoeveel mensen het precies ging, is niet meer precies na te gaan. De schattingen lopen uiteen van 120.000 tot 170.000. Volgens onvolledige cijfers verbleven in juli 1945 78315 mensen in bewaringskampen, waarvan 23723 vrouwen. Van deze vrouwen werkten velen als dienstmeisje in Nederland.

De aanleiding voor het ontwikkelen van algemeen beleid tegenover Duitse vreemdelingen in Nederland is de vraag die zich in juli 1945 aandient: Wat er moet gebeuren met verzoeken tot vrijlating van geïnterneerde Duitse dienstmeisjes. De katholieke minister van justitie Kolfschoten stelt naar aanleiding van deze vraag in augustus 1945 een nota op waarin wordt voorgesteld de hele groep Rijksduitsers in omgekeerde volgorde van binnenkomst en vestiging in ons land uit te wijzen.

Dus allereerst moeten de Duitsers die zich na 10 mei 1940 in ons land gevestigd hebben worden uitgewezen – het gaat hier vooral om werkkrachten in de Nederlandse industrie en mijnbouw en personen die aanhanger zijn geweest van het nationaal-socialisme (nazi’s). Vervolgens moet de groep die na 1 januari 1933 Nederland is binnengestroomd verwijderd worden. In deze groep zitten zowel de duizenden Duitse dienstboden als de politieke vluchtelingen, inclusief de joden. En tot slot moeten alle overigen het land uit. Dat zijn duizenden Duitsers die in de jaren twintig de ellende van Duitsland hebben verruild voor het toen welvarende Nederland en veelal werkzaam zijn in de mijnen in Limburg, in industrieën in de grensstreek van Gelderland en in de handel in de grote steden in het westen van het land. Velen van hen zijn getrouwd met Nederlandse vrouwen en hun kinderen zijn Nederlands opgevoed maar hebben wel de Duitse nationaliteit. In totaal gaat het om 25.000 Rijksduitsers.

Familie Hoppstein

Verhuizing naar Haarlem

 

De grootouders van Joep Hoppstein wonen tot 1913 in Stolberg, vlakbij Aken. Opa Hoppstein werkt in een glasfabriek en wordt gevraagd of hij in Nederland wil komen werken. De beslissing is snel genomen en grootvader Joseph gaat naar Nederland om in een glasfabriek in Leerdam te werken. Het gezin met acht kinderen vestigt zich eerst in Leerdam en verhuist later naar Schiedam.

Zoon Andreas Hoppstein trouwt in 1926 met de Rotterdamse Maria Louise Beijens en in 1929 wordt hun zoon Joep geboren. In 1934 krijgen ze nog een dochter: Loes. Vader Andreas werkt in Rotterdam een tijdje als colporteur van een paar tijdschriften. Maar hij steekt vooral veel tijd in zijn grote hobby turnen. Op een gegeven moment leidt hij zelfs drie turnverenigingen in Rotterdam.

In 1939 verhuist het gezin vanuit Schiedam naar Haarlem en vader Andreas Hoppstein krijgt een baan bij brandstoffenhandel De Spaarnestad aan de Friese Varkensmarkt in Haarlem. De eigenaar van de brandstoffenhandel, Nico Wisse, is de zwager van Andreas Hoppstein. ‘Het was zwaar werk. Vader moest antraciet zeven, Wales antraciet. Later ging hij kolen bij de mensen bezorgen,’ vertelt Joep Hoppstein.
Na enige tijd, de oorlog is dan al een tijd een feit, kan Andreas Hoppstein niet meer voor zijn zwager werken. De kolenhandel loopt door gebrek aan kolen af en hij krijgt in Hilversum een baan bij het Deutsches Nachrichten Büro. ‘Het is me nooit opgevallen dat het Duitsers waren. Ze spraken gewoon Nederlands,’ zegt de 95-jarige buurvrouw Kloet.

Joep is bevriend met buurjongen Peter Kloet en ze trekken regelmatig met elkaar op. Ook de ouders van Joep komen regelmatig over de vloer bij de familie Kloet. Het staat mevrouw Kloet nog helder voor de geest: ‘Het waren erg leuke mensen, de Hoppsteins. Vader Hoppstein kon heel goed met kinderen overweg. Als er een verjaardagsfeestje voor een van de kinderen was, bedacht hij vaak leuke spelletjes.’
De familie Hoppstein, vader, moeder, zoon Joep en dochter Loes wonen ook aan het eind van de oorlog nog in de Plataanstraat in Haarlem. Joep is zestien jaar als de oorlog is afgelopen en herinnert zich nog veel van de bevrijding. ‘Ik zat op de wc en hoorde buiten gejoel en gejuich. Ik ben de straat op gegaan om de bevrijding met vrienden te vieren. Ik heb ook de hongerwinter meegemaakt dus ik voelde me bevrijd.’

Andreas Hoppstein

Familie in Schiedam

Duitse School

Andreas Hoppstein is dan vlak voor de oorlog met zijn vrouw en twee kinderen in Haarlem gaan wonen, de rest van de familie Hoppstein woont nog steeds in Schiedam. Andreas’ broer Josef is getrouwd met Wilhelmina Gouka en samen hebben ze drie kinderen. In 1934 begint Josef een fietsenwinkel in het oude centrum van Schiedam.

Meteen aan het begin van de oorlog, rond 11 mei 1940 worden alle Duitsers in Schiedam geïnterneerd door de Nederlandse regering. Ook vader Josef komt vast te zitten maar zijn vrouw en kinderen mogen thuis blijven. Na enige tijd komt hij weer vrij en in 1942 wordt Josef opgeroepen voor Duitse militaire dienst. Hij wil niet maar weet ook dat hij er niet onderuit kan. Josef komt bij een soort ‘Schutzgruppe’ terecht wat in de praktijk betekent dat hij bruggen moet bewaken.

Begin 1945 deserteert Josef uit het Duitse leger en duikt hij onder. Eerst gaat hij werken bij een boomkwekerij in Boskoop maar in april gaat hij naar huis. Zoon Cornelis moet in de oorlog als Duitse jongen naar de Duitse school maar daar komt niets van in. ‘Mijn moeder was heel erg anti-Duits en weigerde me naar de Duitse school te sturen,’ herinnert Cornelis Hoppstein zich. Nu krijgt de familie geen voedselbonnen meer en moeder weet het gezin draaiende te houden door de geleidelijke verkoop van dertig fietsen. Ze eten eigenlijk het inventaris van de fietsenwinkel op.

Als de oorlog is afgelopen worden in juni 1945 alle Rijksduitsers door de Binnenlandse Strijdkrachten van huis opgehaald. Het hele gezin Hoppstein belandt in een school. Vrouwen bij de vrouwen, mannen bij de mannen. Na een paar weken worden ze vrij gelaten maar als ze terug naar hun eigen huis willen kan dat niet; het huis en de winkel zijn aan iemand anders verhuurd en de meubels liggen voorlopig opgeslagen bij het Nederlands Beheersinstituut.

Nederlands Beheersinstituut

'Ontvijandverklaring'

Het Nederlands Beheersinstituut heeft een hoofdbureau in Den Haag en nevenbureaus in Amsterdam en Rotterdam. Vertegenwoordigers zijn er in allerlei andere plaatsen, zelfs in Brussel, Parijs, Londen, New York, Willemstand en Paramaribo. Het Beheersinstituut is opgericht om de vermogens van politieke delinquenten, van ‘foute’ organisaties en instellingen en van ‘vijandelijke onderdanen’ te beheren om ze uiteindelijk na hun berechting (waarbij het gehele of een deel van het vermogen verbeurd verklaard kon worden) terug te geven.

Vijandelijke onderdanen zijn ‘natuurlijke personen, die onderdanen zijn of te eeniger tijd na den tienden Mei 1940 zijn geweest van een vijandelijke staat.’ Verreweg de meeste Duitsers die voor de oorlog in Nederland waren komen wonen hadden nog steeds de Duitse nationaliteit; er was geen aanleiding geweest te naturaliseren of men had het geld er niet voor. Voor de ‘vijandelijke onderdanen’ gold dat ze een ontvijandverklaring moesten aanvragen bij de afdeling rechtspraak van het Nederlands Beheersinstituut. Kon de betreffende ‘vijand’ niet aantonen te hebben voldaan aan eerder genoemde voorwaarden dan kon hij worden opgepakt door de Vreemdelingenpolitie.

Kolfschoten

Bezwaren geallieerden

Bijstellen plan

Minister van justitie Kolfschoten heeft in september 1945 al begrepen dat de geallieerde autoriteiten die het opperbestuur in Duitsland voeren, grote bezwaren hebben tegen de uitzetting van alle Duitsers uit Nederland. De geallieerden die de westelijke zones beheren, zijn vooral bang dat andere westerse landen door deze uitzetting op een idee worden gebracht. Daar zijn ze bang voor omdat de situatie in Duitsland erbarmelijk is. Justitie is genoodzaakt het plan tot uitwijzing van alle Duitsers bij te stellen. Behalve bezwaren van de geallieerden is ook de katholieke kerk scherp gekant tegen de plannen. Op 15 september 1945 laat kardinaal de Jong weten dat de verwijdering van alle Duitsers uit het land in strijd is met de christelijke naastenliefde.

Maar de regering trekt zich weinig van deze kritiek aan. Alleen Duitsers die voor 1940 Nederland binnen zijn gekomen en zich als een oprechte vriend van Nederland hebben gedragen en Duitsers die aan het Nederlands binnenlands verzet hebben deelgenomen hoeven niet te vertrekken. Voor de politieke vluchtelingen die na 1933, het jaar dat Hitler in Duitsland aan de macht komt, uit Duitsland zijn gevlucht wordt een andere regeling gemaakt.

Het uitvoeren van de plannen de ongewenste Duitsers uit te zetten komt erg langzaam op gang en er ontstaat binnenlands verzet tegen de uitwijzingen. De geallieerden stellen als voorwaarde dat de uit te zetten personen een huis in Duitsland moeten hebben. Dat zou betekenen dat alleen Duitsers die zich recent in Nederland hebben gevestigd voor uitwijzing in aanmerking zouden komen. Daarnaast willen de geallieerden dat ‘in ruil’ voor de uitgezette Duitsers, Nederlanders die in Duitsland wonen, kunnen worden teruggestuurd naar Nederland. De Nederlandse regering voelt hier niets voor maar de Engelsen die de zeggenschap hebben over de Duitse zone langs de Nederlandse grens trekken zich hier niets van aan; rond de 100.000 Nederlanders in Duitsland moeten naar Nederland worden teruggestuurd.

De Engelsen blijven ook in 1946 terughoudend reageren op de Nederlandse plannen omdat men al genoeg te stellen heeft met de miljoenen vluchtelingen uit Oost-Europa. De vele protesten met name van kerkelijke zijde, hebben hun invloed op de christelijke partijen in Den Haag en op 17 april 1946 wordt een aparte adviescommissie ingesteld om de Duitse vreemdelingen enige bescherming te bieden. De commissie bemiddelt als er verschil van mening is tussen de diverse instanties die met de uitwijzing te maken hebben. Bijvoorbeeld de Rijksvreemdelingendienst en de plaatselijke politie. In de meeste gevallen is het wel duidelijk wat er moet gebeuren. Mensen die lid zijn geweest van de Duitse nazipartij (NSDAP) en zich bij het begin van de bezetting in een nazi-uniform hadden vertoond of een hakenkruisvlag hadden uitgehangen waren fout. Het lag vaak ook lastiger. Bijvoorbeeld als vader werd gedwongen bij de Wehrmacht te dienen maar zich nooit pro-Duits had opgesteld. De ambtenaren van de vreemdelingendienst hebben in samenwerking met de plaatselijke politie en de Politie Opsporingsdienst (POD) dossiers aangelegd over bijna alle Duitse vreemdelingen in Nederland, op basis van schriftelijk materiaal en getuigenissen.

<p>Kamp Marienbosch in Nijmegen, waar Duitsers werden geïnterneerd</p>

Operatie Black Tulip

Kamp Mariënbosch

Ondanks het feit dat de geallieerden hebben gezegd slechts weinig Duitsers te willen opnemen, wordt het beleid doorgezet. De nieuwe minister van justitie, Van Maarseveen zegt in het najaar van 1946 nog steeds 17.000 mensen uit te willen zetten. Voor een belangrijk deel heeft dit te maken hebben met de nog altijd aanwezige anti-Duitse stemming.

Op 10 september 1946 gaat in Amsterdam de uitwijzing van de Duitsers uit Nederland dan toch ‘officieel’ van start. Door de contacten met de Engelsen heeft deze operatie de codenaam Black Tulip gekregen. Mannen, vrouwen en kinderen worden in het holst van de nacht van hun bed gelicht en mogen vijftig kilo bagage en honderd gulden meenemen. Achtergebleven huisraad wordt ondergebracht bij het Nederlands Beheersinstituut. De goederen worden verkocht omdat de goederen en vermogens van ‘vijandelijke onderdanen’ volgens het Besluit Vijandelijk Vermogen aan de staat toevallen. Volgens Van Maarseveen een manier om een gedeeltelijke schadevergoeding te krijgen. De aangehouden Duitsers worden vervoerd naar enkele kampen in de nabijheid van de Duitse grens. Het grootste kamp is kamp Mariënbosch bij Nijmegen.

Zowel Joep als zijn neef Cor krijgen te maken met de Vreemdelingenpolitie. De familie Hoppstein in Schiedam wordt in 1947 opgepakt en vastgezet in een politiecel. ‘We moesten zelfs de veters uit onze schoenen halen; de politie was zeker bang dat we zelfmoord zouden plegen. Maar ergens vond ik het ook wel interessant,’ vertelt Cor Hoppstein. In het dossier van Josef Hoppstein in het Nationaal Archief in Den Haag staat op documenten dat vader Josef Hoppstein niet anti-Duits genoeg is geweest en dat de hele familie naar Mariënbosch moet worden afgevoerd. De buurt spreekt schande van de actie en al gauw komen er acties uit de buurt op gang. In een briefje ondertekend door verschillende buurtbewoners wordt gevraagd om eerherstel en teruggave van de oude winkel.

Ook de kerk wordt ingeschakeld. Vader Josef heeft goede contacten met de kerk want hij plakt wel eens gratis de band van de pater of legt een ketting om diens fiets. Ook zou vader Josef in de oorlog de pastoor eens uit het water hebben gered. Hulp komt van alle kanten en de steunbetuigingen doen hun werk: uiteindelijk komt de familie na een week vrij.

Opgepakt en uitgezet

Terug naar Stolberg

 

Voor de familie van Joep loopt het minder goed af. Op een dag komt de Vreemdelingenpolitie voor rijden bij de Haarlemse bronsgieterij Binder waar vader Andreas en zoon Joep dan werken. Ze worden meegenomen naar huis en krijgen even tijd wat spullen te pakken. Dan wordt de hele familie meegenomen naar het politiebureau.’s Avonds komt buurvrouw Kloet nog langs maar veel kan ze niet doen. De stemming is somber en bedrukt. Niemand begrijpt wat er aan de hand is. Mevrouw Kloet: ‘Het was allemaal janken. Het was toch zielig. Die mensen woonden hier al zo lang.’ De familie Hoppstein en mevrouw Kloet nemen afscheid en de volgende dag vertrekt een auto naar kamp Mariënbosch bij Nijmegen.

Begin oktober 1947 worden ze uitgewezen en teruggebracht naar de geboorteplaats van vader Andreas: Stolberg bij Aken. Joep: ‘We werden op een hoek van een straat afgezet. Ik zie het nog voor me. De meubels, de stoelen en wat we nog anders hadden werd er uit gezet. En daar stonden we dan.’

Joep keert na een paar weken terug naar Nederland maar besluit dat het leven in de illegaliteit ook geen oplossing is en keert terug naar Duitsland. Hij heeft tot op de dag van vandaag geen idee waarom zijn vader, moeder, zus en hij werden uitgewezen en waarom het gezin van neef Cor niet. Joep: ‘Als ze ons Duitsers meteen na de oorlog er uit hadden gegooid, dan zou ik het nog begrepen hebben maar niet anderhalf jaar na het eind van de oorlog.’ Joep Hoppstein herinnert zich dat bronsgieter Binder ook Duits was. Maar hij is nooit uitgezet want verschillende beeldhouwers hebben ervoor gepleit Binder in Nederland te laten blijven. ‘Ze hadden die man nodig. Als mijn vader een vakman was geweest hadden ze hem misschien ook nodig gehad. Maar nu niet. We hebben pech gehad. We waren niet belangrijk genoeg.’ Cor Hoppstein heeft geen verklaring voor het feit dat hij wel mocht blijven en neef Joep niet. Toch zegt hij:’Wij stonden in het kleine stadje Schiedam bekend als keurig hardwerkende mensen die trouw iedere zondag naar de kerk gingen. De mensen in de buurt waren geschokt. Het was willekeur of vriendjespolitie.’

Joep Hoppstein keert na een paar weken illegaal terug naar Nederland maar hij houdt dat niet lang vol en besluit zich definitief te vestigen in Stolberg waar hij nu nog altijd woont. Aan het eind van 1948 worden de kampen voor opvang van Rijksduitsers gesloten en vanaf 1950 worden geen Duitsers meer de grens over gezet. Op 26 juli 1951 is de staat van oorlog met Duitsland beëindigd en worden Duitsers niet langer als vijand van de staat gezien. In totaal zijn 3691 Rijksduitsers na de oorlog het land uitgezet.

Tekst en research: Yfke Nijland
Samenstelling en regie: Godfried van Run

Bronnen

GEÏNTERVIEWDEN
Joep Hoppstein, zoon van Andreas Hoppstein
Cornelis Hoppstein, zoon van Josef Hoppstein
Melchior Boogaarts, promoveerde in 1989 aan de Radboud Universiteit Nijmegen met het proefschrift "Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945, deel II: De periode van het kabinet-Beel 3 juli 1946-7 augustus 1948'.
F.C. Kloet, buurvrouw van familie Hoppstein in Haarlem

ARCHIEF
Voor de uitzending is gebruik gemaakt van fotomateriaal uit verschillende archieven en van de geïnterviewden.

Literatuur

M.D. Bogaarts, Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945, deel 2, band D (Nijmegen 1995). “Weg met de moffen” De uitwijzing van Duitse ongewenste vreemdelingen uit Nederland na 1945.

Barbara Henkes, Heimat in Holland. Duitse dienstmeisjes 1920-1950 (Amsterdam 1995)

Dr. L. de Jong, Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel twaalf tweede helft.

Wielenga e.d., de Duitse buur. Visies uit Nederland, België en Denemarken 1945-1995 (Clingendael; Den Haag 1996). Daarin: Melchior D. Boogaarts, ‘Ressentimenten en realiteitszin in Nederland 1945-1950’

Vragen?

Heeft u vragen, ideeën of opmerkingen?

Neem dan contact op met de redactie: