Meer verdieping op het gebied van geschiedenis? Kijk op NPOFocus.nl
↳ Enter om te zoeken
12 juli 2005

Afstandsmoeders

Afstandsmoeders
Bekijk Video
27 min

Maar als ze het wel deed en nog zwanger werd ook, dan was dat een ongehoorde schande. Tehuizen voor moeder en kind, overal in het land, boden onderdak aan 'gevallen' vrouwen. Maar ook werden kinderen te vondeling gelegd of aangeboden aan kinderloze echtparen.

Aan die illegale kindertransacties kwam in 1956 met de invoering van de Adoptiewet definitief een einde. De hulpverlening ging zich toeleggen op het professioneel begeleiden van afstand en adoptie. Moeders werd voorgehouden dat ze de kleine weinig te bieden hadden. Zou de baby bij een net getrouwd stel dat zat te smachten naar een kind niet veel beter af zijn?

Tussen '56 en eind jaren '70 hebben ongeveer 25.000 moeders in Nederland hun baby afgestaan. Allemaal moeders die het beste wensten voor hun kroost, maar zelf door een hel zijn gegaan. Ze waren niet in blijde verwachting maar vreesden de woede van hun ouders, het gefluister van de buren, het gegiechel van vriendinnen.

de jonge Roos van Alten
De jonge Roos van Alten

"Een hoogst ernstige aangelegenheid"

Gefluister en gegiechel
Roos van Alten, 18 jaar en studente aan de Kunstacademie, loopt begin jaren zestig tijdens een feestje een jongen tegen het lijf. De ontmoeting ontaardt in een vrijpartij die verder gaat dan ze had gewild. Enkele weken later blijkt het onherroepelijke te zijn gebeurd: Roos is zwanger. Wat nu? “Blinde paniek overviel me”, vertelt Roos veertig jaar later. Haar verhaal speelt zich immers af vóór de seksuele revolutie, vóór de invoering van legale abortus, vóór de eerste BOM-moeders zich zelfbewust en vrolijk aan de media presenteren. Roos: “Het was zoiets schandaligs, zoiets verschrikkelijks... ik schaamde me kapot. Ik was opeens van een keurig net meisje een outcast geworden.”

“Het buiten huwelijksverband zwanger worden en bevallen van een kind was en is in onze samenleving een hoogst ernstige aangelegenheid...” schrijft psychiater Heijmans in 1964 en hij vervolgt “... de (aanstaande) niet-gehuwde moeder handelt niet volgens de normen die de maatschappij stelt, zij wordt zwanger buiten de huwelijksverhouding om en ondermijnt zo de algemeen geaccepteerde gezinsstructuur.” Het is de breed gedragen opvatting tot zelfs in de jaren zeventig. Seks, of ‘samenleving’ in het jargon van de jaren zestig, is voorbehouden aan keurig getrouwde stellen. De schande die neerdaalt op meisjes die zichtbaar de regels hebben overtreden, is groot; zij doen in feite een aanval op de maatschappij. Zo formuleren de buren, vriendinnen en ouders het natuurlijk niet. Zij spreken domweg schande van het geval, ze fluisteren en giechelen. En menig ouder voelt zich zodanig te schande gezet en ‘besmet’ door de situatie van hun dochter dat ze haar dwingen het huis te verlaten of op z’n minst de zwangerschap verborgen te houden. Isabel Story raakt eind jaren zestig op 16-jarige leeftijd zwanger. Haar vader slaat haar wanneer hij het nieuws verneemt: “Nou, dat was dus een rechte klap in mijn gezicht. Letterlijk en figuurlijk. Mijn wereld stortte op dat moment in. Want ik was gek op mijn vader en ik had hem zo vreselijk teleurgesteld dat hij ertoe kwam om mij te slaan.”

Veel meisjes ondergaan de hoon en de vernederende behandeling van de omgeving gelaten. Ze voelen zich immers zelf schuldig, ze hebben alles dus gewoon verdiend. Niet alleen in de ogen van de buitenwereld maar ook in eigen ogen zijn ze gedegradeerd tot een del, een sloerie, een hoer. Ze voelen zich ‘fout’. Ze hebben gezondigd, zoniet tegen de kerk dan toch tegen de algemene moraal of tegen het fatsoen van hun ouders. En wie kan in zo’n situatie begrip of hulp verwachten? Het besef van de omvang van de eigen zonde blijkt uit het feit dat de zwangerschap in het begin vaak lange tijd ontkend wordt. Het is te erg om onder ogen te zien. Isabel gaat pas na 5 maanden naar de dokter: “Je houdt jezelf voor: het kan zo zijn maar misschien is er ook iets anders aan de hand... je wordt als het ware twee persoonlijkheden: de ene die zwanger is waar je niks mee kan en de andere die gewoon doorleeft en doet alsof er niks aan de hand is.” De ontkenning werkt vaak zo sterk dat er ook fysiek nauwelijks iets te bespeuren valt: de buik van ongewenst zwangere vrouwen blijft niet zelden opvallend dun. Tot in de vijfde maand of zelfs nog langer houdt het lichaam zich in toom. Pas nadat uiteindelijk een dokter wordt ingeroepen en het feit objectief wordt vastgesteld, groeit de buik ineens met verdubbelde snelheid. Het kind is er en het gaat niet meer weg.

Gesjoemel met baby’s

Hulpverlening
De gebruikelijke ‘koninklijke’ oplossing voor het ongehuwde zwangere meisje is het zogenaamde ‘moetje’:een gedwongen huwelijk met de vader van het kind. Maar dat is niet altijd een optie. Een huwelijk is ondenkbaar voor slachtoffers van verkrachting of incest, voor de meisjes die zwanger worden van een getrouwde man, maar ook voor vrouwen, zoals Roos en Isabel, die direct de eerste keer zwanger zijn van een jongen die ze amper kennen. Maar wat dan? Volgens de statistieken loopt het aantal buitenechtelijke geboorten in de jaren zestig op van 35000 tot 5000 per jaar. Dat zijn niet allemaal gevallen van ‘slechte meisjes’. Ook weduwes en gescheiden vrouwen vallen onder dit cijfer. Bovendien zijn er ook dan al ‘verlichte’ stellen die ongetrouwd samenwonen of vrouwen die bewust eerst een kind krijgen en daarna pas trouwen. Maar grotendeels gaat het hier toch om ‘problematische gevallen’.

De enige helpende hand die de vrouwen, verstoten door de familie, wordt aangereikt is die van de hulpverlening. Al vanaf het midden van de negentiende eeuw ontfermt de liefdadigheid zich over de ‘gevallen’ vrouw en haar kind. Direkt na de Tweede Wereldoorlog, wanneer losbandige meisjes zich in groten getale overgeven aan soldaten en er een golf aan buitenechtelijke geboorten wordt verwacht, neemt de overheid initiatief en steunt de oprichting van nog meer instellingen. Onder het kopje Ongehuwde Moeders is in een Gids voor Maatschappelijk werk uit 1954 een rij aan stichtingen en verenigingen te vinden waaronder de FIOM (Federatie van Instellingen voor Ongehuwde Moeders) en de Hendrik Pierson Vereniging (vanuit protestantse hoek).

Oorspronkelijk is het streven van al die instellingen gericht op het bijeenhouden van moeder en kind. Tot ver in de jaren zestig zijn er verspreid door heel Nederland talloze tehuizen (alleen al vier in Amsterdam!) die, na bemiddeling door de maatschappelijk werkster, de alleenstaande moeder en haar baby onderdak bieden. Dat gebeurt niet zozeer uit puur mededogen. De opvatting van de, meestal christelijk geïnspireerde, hulpverlening is dat de vrouw de gevolgen van haar zonde moet dragen en dat betekent in de praktijk dat ze de kleine niet in de steek mag laten. Het kind wordt dus bij wijze van straf in de armen van de moeder geduwd. De ongehuwde moeder is weliswaar ‘fout’, maar nog lager op de morele ladder staat de moeder die aan haar verantwoordelijkheid probeert te ontsnappen door het kind ‘weg te geven’. Dat laatste gebeurt toch, meestal op ongeorganiseerde wijze via doktoren, priesters, verloskundigen of familie die voor de baby wel ergens een goed ouderpaar weten. En als er geen rechtstreekse bemiddeling voorhanden is via een advertentie in de krant of bij de sigarenboer: ‘Ongehuwde aanstaande moeder uit beschaafd milieu wenscht afstand te doen van baby’ of ‘Echtpaar zonder kinderen wenschen een pas geboren nog te verwachten meisje geheel tot zich te nemen’.

De hulpverlening probeert uit alle macht het allerergste, het gesjoemel met baby’s, te voorkomen. Maar in de jaren vijftig begint heel langzaam een nieuwe opvatting door te dringen. In die jaren wordt steeds vaker gesproken over de mogelijkheid om aan de rommelige afstandszaken een einde te maken door afstand domweg te legaliseren. Misschien is het wel niet zo laakbaar wanneer een moeder toegeeft niet voor haar kind te kunnen of te willen zorgen? In 1964 schetst psychiater Heijmans, voorstander van de nieuwe koers, de inmiddels verouderde opvattingen al met enig dédain: “Lange tijd was afstand doen een daad van zeer laag allooi, een teken van ernstige sociale en morele gestoordheid. Het werd gelijkgesteld met het te vondeling leggen, een misbruik dat teruggaat tot het duister van de civilisatie. Afstand is ook in één adem genoemd met de engeltjes-makerij (criminele abortus) of als een handelwijze van prostituees en andere moreel laagstaande vrouwen.”

"De stem van het bloed is een stomme stem"

Officiële adoptie
Officieel afstand doen gaat gepaard met officieel adopteren. Het kind moet immers wettig overgedragen kunnen worden aan nieuwe ouders. In Nederland wordt dat mogelijk met de invoering van de Adoptiewet in 1956. Aan die wet is een sterke lobby van de Nederlandse Vereniging van Pleegouders vooraf gegaan. De omgang met pleegkinderen is vóór invoering van de wet een onzeker bestaan; niets verbiedt een natuurlijke moeder op een dag voor de deur te staan om haar kind weer op te eisen. De pleegouders maar ook het kind zelf, wellicht gebaat bij enige stabiliteit en regelmaat in het leven, hebben geen poot om op te staan. De moeder heeft een onvervreemdbaar recht op haar kind. Om die reden beginnen pleegouders vanaf eind jaren ’40 aan te dringen op een wettelijke verankering van hun positie. Tegenstand tegen de wet is voornamelijk te vinden in kringen van de ongehuwde moederzorg. Volgens de FIOM en vele anderen zou een officiële adoptiewet de ongehuwde moeders stimuleren afstand te doen van hun kind. En dat is nu juist hetgeen ze steeds hebben trachten te voorkomen! De natuurlijke band tussen moeder en kind mag volgens hen niet worden verstoord, de moeder mag zich niet te makkelijk van haar verantwoordelijkheid afmaken en moet de kans krijgen zich te ‘verbeteren’ door, zorgend voor haar kind, alsnog uit te groeien tot een evenwichtige persoonlijkheid

De discussie rond adoptie verwordt op deze manier steeds meer tot een discussie rond afstand. Voorstanders van adoptie (en dus ook van afstand) krijgen daarbij steeds meer steun uit de hoek van de wetenschap. “In de kinderpsychiatrische praktijk bleek meer en meer hoe belangrijk het is voor de persoonlijkheidsontwikkeling en dus voor de hele uitgroei en toekomst van het kind, dat dit in een liefdevolle omgeving opgroeit, en dat het zich tijdens dit groeiproces zeker en veilig kan voelen in een blijvende verbondenheid tot moeder en vader”, aldus psychiater Heijmans. Het nieuwe inzicht luidt dat ongehuwde moeders vaak noch geestelijk noch materieel in staat zijn het kind goed op te voeden en dat het kind beter af is bij liefhebbende pleegouders – vaak kinderloze echtparen – die in staat zijn de stabiliteit en geborgenheid te geven van een echt gezin. In 1953 pleit psychiater Trimbos in de brochure ‘Zorgenkinderen’ voor ruimere mogelijkheden om afstand te doen “niet alleen voor psychisch gestoorde ongehuwde moeders, maar ook voor die gevallen, welke sociaal en pedagogisch onvoldoende mogelijkheden hebben om de belangen van hun kind te kunnen behartigen.”

Met de invoering van de adoptiewet verliezen de pleitbezorgers van de ‘natuurlijke en onvervreemdbare band’ tussen moeder en kind definitief de discussie. En niet lang daarna gaat vrijwel de gehele ongehuwde moederzorg door de knieën. Op de jaarvergadering van de Hendrik Piersonvereniging in 1961 is de stemming al helemaal omgeslagen wanneer wordt opgeroepen: “... de propaganda zo te richten dat in brede kring de opvatting gaat heersen dat bijeenblijven van moeder en kind een uiterst gevaarlijke en hachelijke zaak is en dat in het afstand doen de beste mogelijkheden gelegen zijn, zowel voor moeder als kind”. Ook de FIOM, aanvankelijk een fel tegenstander, bejubelt op een congres in 1961 de positieve mogelijkheden van afstand. Dit alles ongetwijfeld tot tevredenheid van psychiater Heijmans. Over de ooit bejubelde bloedband maakt niemand zich gelukkig nog al te druk. “De ‘stem’ van het bloed is een stomme stem, die alleen maar klinkt in het schrijversbrein van zekere romantische auteurs”, weet de psychiater.

Kinderroof

Toenemende druk
Wanneer Roos in 1963 bij de ongehuwde moederzorg aanklopt – in haar geval de Hendrik Piersonvereniging in Rotterdam – krijgt ze te maken met de geheel vernieuwde tijdgeest. Haar wordt weinig keus gelaten: het is beter voor iedereen dat ze afstand doet van haar kind. Isabel hoort enkele jaren later hetzelfde van haar maatschappelijk werkster in Amsterdam. Ook voor haar lijkt afstand de enige mogelijkheid. Roos herinnert zich de argumenten: “Je had toen stapels echtparen die zelf geen kinderen konden krijgen, keurige echtparen, daar zou het kind veel beter af zijn.... En als ik dan een beetje sputterde, dan werd er gezegd dat het kind anders naar een tehuis zou gaan en dat ik het dan dus nog niet kreeg. Het was onmogelijk voor mij om het te houden, dat kon gewoon niet. Er moest een oplossing gevonden worden voor het kind. En zelf zou ik daarna dan weer aan het gewone leven kunnen deelnemen.”

Ook Mieke Piersma, zelf als baby door haar moeder verlaten en opgegroeid in pleeggezinnen, wordt richting afstand gepraat. De Groningse is in 1963 op 17-jarige leeftijd zwanger van haar iets oudere vriend. Het jonge stel wil trouwen zodra ze weten dat Mieke een kind verwacht. Maar de ouders van de jongen en de Raad voor de Kinderbescherming (die het gezag over de minderjarige Mieke uitoefent) hebben andere plannen: Mieke moet naar een tehuis voor ongehuwde moeders in Hilversum, ver weg van haar vriend. Daar aangekomen blijkt het eigenlijk een tehuis voor afstandsmoeders. Van de twaalf of dertien meisjes die er kortere of langere tijd kunnen verblijven, doet vrijwel iedereen afstand. Mieke wordt na een paar maanden verblijf in het tehuis bij haar voogdes geroepen voor een ernstig onderhoud. Mieke: “Ik herinner me nog dat er meerdere mensen aanwezig waren en die probeerden me uit te leggen dat het verstandiger was om het kindje af te staan. Bij zulke jonge ouders als wij zou het geen toekomst hebben en het zou beter zijn als het in een pleeggezin werd grootgebracht. En dat werd eigenlijk verteld op een manier dat ik geen keuze had. Het moest volgens hen gewoon gebeuren. Maar daar verzette ik me tegen, heel heftig. Ik wist zeker: dat wil ik niet, dat wil m’n vriend niet, je kunt op je kop gaan staan maar ik houd die baby!”

Wat aanvankelijk een goed idee lijkt in noodgevallen, afstand doen van de baby, is bijna omgeslagen in een trend. Ongehuwde moeders worden te pas en te onpas ongeschikt geacht om zelf voor het kind te zorgen. Waar vooralsnog geen problemen zijn, worden ze in de toekomst wel voorzien. Zo wordt Mieke door de Raad voor de Kinderbescherming gewaarschuwd dat haar vriend ongetwijfeld de benen zal nemen zodra het kind er is en dan zal ze er alsnog alleen voor staan. Geen wonder dat sommige afstandsmoeders achteraf cynisch opmerken dat de hele afstandsprocedure in het leven is geroepen om kinderloze echtparen van kroost te voorzien. Soms lijkt het inderdaad of de ongehuwde moeder alleen maar een welkome oplossing biedt voor een ander maatschappelijk probleem: tien procent van de huwelijken blijft kinderloos en ook dat is in die jaren een schande en een groot verdriet. Maar het is te eenvoudig om de hulpverlening te beschuldigen van ‘kinderroof’; zij adviseren naar eer en geweten, met de beste bedoelingen jegens moeder, kind én adoptieouders. De ongehuwde moederzorg kan zich niet onttrekken aan de moraal en de omstandigheden van de tijd.

Goed bedoeld advies

Geheimhouding en ontkenning
Marianne Berentsen wordt in 1971 bij de FIOM maatschappelijk werkster voor ongehuwde moeders: “Ik moet zeggen dat in die tijd iedereen vond dat het eigenlijk beter was dat een kind een vader en een moeder had. Dat vond de hulpverlening, dat vonden de damesbladen, dat vond de buurvrouw, dat vond de tante en dat vond vaak de moeder ook. Het was toen ook werkelijk heel moeilijk om een kind alleen op te voeden”. Het is niet alleen de schande waar de ongehuwde moeder mee kampt, maar haar wacht ook een berg aan praktische problemen. “In die tijd had je geen recht op zelfstandige woonruimte. Vrouwen alleen woonden vaak nog op kamers, ook als ze al veertig waren. En niemand wilde een vrouw met een huilend kind op kamers. Dat was al heel moeilijk. En dan kon je in mijn tijd in Amsterdam een jaar bijstand krijgen maar daarna ook niets meer, dus je moest je werken. Als een werkgever je al wilde nemen, want niemand zat te wachten op een vrouw met kind, had je op een goed moment wel zogenaamde ‘totaal crèches’, daar kon je je kind dag en nacht heenbrengen. Maar de kinderen kregen dan vaak een grotere band met de verzorgsters dan met de moeder zelf. Dat was allemaal niet echt aangenaam.”

Niemand, een paar extreme uitzonderingen daargelaten, wordt gedwongen afstand te doen. Het lijkt in veel gevallen gewoon een goed idee. Maar je moet wel erg sterk in je schoenen staan of, zoals Mieke, toch nog een partner achter de hand hebben om weerstand te bieden aan het bombardement van argumenten. Is er eenmaal besloten tot afstand, dan is het de taak van de hulpverlening het leven van de ongehuwde moeder te verlichten door mee te doen aan het spel van geheimhouding en ontkenning. Daarom worden er door het hele land ‘onderduikadressen’ geregeld, vaak ver weg van het ouderlijk huis, waar vrouwen de zwangerschap kunnen uitzitten zonder dat ze met hun dikke buik bekenden of familie tegenkomen. Zo gaat Roos naar een vage kennis in Leeuwarden waar ze dagen wezenloos door de stad dwaalt. En Isabel krijgt met nog een aantal zwangere meisjes een plek in het huis van een vroedvrouw in Haarlem. Marianne Berentsen: “Het idee was heel naïef bij iedereen, maar het was wel zorgzaam bedoeld. De gedachte was: niemand mag het weten, het is niet gebeurd, je gaat hierna gewoon door met je leven en hoe minder mensen ervan weten hoe beter het is. Want anders heb je geen kansen meer, niemand wil zo’n vrouw hebben die een kind heeft of een kind heeft gehad. Dus was het: weg, weg, weg.”

De opvang op het ‘onderduikadres’ is meestal zakelijk. Het is niet de bedoeling het meisje te belasten met lastige vragen of indringende gesprekken. De zwangerschap wordt in feite nog steeds genegeerd. Marianne: “Het mag er niet zijn dus is het er ook niet. Als je er maar niet over praat, ook later niet, dan is het er nooit geweest. Pijn en ellende daar moest je het niet over hebben.” Wanneer tenslotte het moment van de bevalling aanbreekt, zijn de meeste vrouwen amper voorbereid. De staf in het ziekenhuis (een afstandsmoeder moet verplicht in het ziekenhuis bevallen) is op de hoogte gebracht van de omstandigheden en heeft, opnieuw, de instructie gekregen om het proces zo zakelijk mogelijk te laten verlopen. Maatschappelijk werkster in het WG-ziekenhuis Marion Kreyenbroek: “Geheimhouding was het sleutelwoord in het ziekenhuis. Wij moesten zorgen dat niet bekend werd wie afstand ging doen, en ook het personeel moest zich daar goed aan houden.”

"Je wilt dat het over gaat...maar het gaat niet over"

e bevalling vindt plaats, soms in een apart ‘afstandkamertje’, en daarna wordt de baby zo vlug mogelijk weggehaald. Isabel: “Op een gegeven moment zag ik een ambulance medewerker, het was iemand in een uniform, met een draagbare couveuse lopen over de gang. Dat is alles wat ik gezien heb”. Ook die snelle scheiding is bedoeld om de moeder te sparen. In enkele ziekenhuizen worden nog extra methodes bedacht (een doek over het gezicht van de moeder, een doek tussen gezicht en benen, voorkomen dat de baby in het bijzijn van de moeder gaat huilen) om maar vooral alle emotie te vermijden. Want - zover is het besef blijkbaar wel - elke beweging en elke glimp van de baby blijft in het geheugen van de moeder gegrift. Roos: “Het begint te schreeuwen, dat geluid vergeet ik nooit. En dan is het weg....”

Met het dramatische afscheid zijn Roos en Isabel definitief twee van de 25.000 Nederlandse vrouwen geworden die sinds 1956 afstand hebben gedaan van hun kind. Moeders die gegeven de omstandigheden het beste wensen voor hun baby, aangemoedigd door goedbedoelende hulpverleners. Na de bevalling proberen ze, zoals door iedereen is aanbevolen, de draad van het leven weer op te pakken. Dat ze ooit een kind kregen, blijft geheim. Roos: “Ik heb er met niemand over gepraat. Je praat er niet over, het is er niet. Ik ontkende zelfs tegenover de huisarts dat ik een kind gehad had”. Pas in de loop der jaren blijkt dat de afstand toch niet zo soepel is verlopen als door iedereen werd voorspeld. “Het had eigenlijk het einde moeten zijn van een hele lastige periode”, memoreert Isabel, maar het blijkt het begin van een leven vol schuldgevoel, pijn en elke dag denken aan het kind. Roos: “Hoe langer je zwanger bent, en je gaat het kind voelen, begint er toch iets te veranderen in je. Wat ik nooit heb geweten en nu wel, helaas, is dat je moeder wordt als je kind wordt geboren. Ook al wil je het niet. En als dan een kind weggaat, dan gaat dat gevoel niet over. Je wilt dat het over gaat. Maar het gaat niet over. En dat is heel verscheurend. Het beïnvloedt je hele leven.”

Door de legalisatie van abortus en de alom om zich heen grijpende vrijere moraal – alleenstaande ouders zijn inmiddels een geaccepteerd verschijnsel - neemt het aantal afstandsmoeders eind jaren zeventig vanzelf af. Maar ook de hulpverlening komt in deze periode tot inkeer met als sluitstuk het gegeven dat rond 1980 de eerste afstandsmoeders komen aankloppen die voor het leven zijn getraumatiseerd of domweg willen weten hoe het met hun kinderen gaat. Ook de afstandskinderen zelf zijn inmiddels op zoek gegaan naar hun natuurlijke ouders. De bloedband, waarover professor Heijmans zo schamper sprak, blijkt toch sterker dan gedacht. Jonge ongehuwde moeders die in de jaren tachtig of later overwegen afstand te doen, krijgen dan ook de raad nog eens drie keer na te denken. Ze worden met kind tijdelijk opgevangen in een tehuis en eventueel op alle mogelijke terreinen begeleid. En daarmee is de situatie van vóór 1956 praktisch teruggekeerd, al gaat het nu om veel kleinere aantallen van voornamelijk allochtone meisjes. Slechts in enkele gevallen komt het tegenwoordig nog tot afstand. Voor Roos en Isabel is het een schrale troost dat de kansen inmiddels zijn gekeerd. Roos: “Ik wilde dat m’n kind goed terecht kwam. En wat ik wel inzag is dat ik het in die maatschappij niet redde. Maar achteraf vraag ik me nog altijd af: had ik het echt niet kunnen reddden?”

Credits
  • Regisseur
    Yaèl Koren
  • Researcher
    Karin van den Born
Geïnterviewden Bronnen
  • Mieke Piersma
    Mieke Piersma
  • Marianne Berentsen
    Marianne Berentsen
  • Isabel Story
    Isabel Story
  • Opgestaan is plaats vergaan

    L. de Leeuw en W. van Sebille, Opgestaan is plaats vergaan. Een bericht van en over afstandsmoeders (Amsterdam 1991).

  • Ongehuwde moederzorg in Nederland

    E. Hueting en R. Neij, Ongehuwde moederzorg in Nederland (Naarden 1990).

  • De niet-gehuwde moeder en haar kind

    H.F. Heijmans en Dr. C.J.B.J. Trimbos, De niet-gehuwde moeder en haar kind (Hilversum 1964).

  • Alleenstaande zwangere vrouwen

    Drs. P.A.M. van den Akker, Alleenstaande zwangere vrouwen (Tilburg 1974).

Vragen?

Heeft u vragen, ideeën of opmerkingen?

Neem dan contact op met de redactie: