↳ Enter om te zoeken
24 februari 2004

Iran/ Springschoenen

Beatrix op tv
Bekijk Video
28 min

IRAN
Met de aardbeving in Bam eind 2003 wordt Iran niet voor het eerst getroffen. In de nacht van 31 augustus op 1 september 1962 treft een aardbeving een groot onherbergzaam gebied, waaronder het plaatsje Dousadj. In 1963 begint de wederopbouw van het dorp, een initiatief van de Europese Werkgroep, onder leiding van prinses Beatrix.

SPRINGSCHOENEN
Bij gebrek aan oorlog wordt patent 123904 niet in productie genomen
Triomfantelijk stort Jan Bakker twee plastic supermarkt zakken midden in zijn woonkamer leeg. Op de tweede verdieping van zijn flat, die uitkijkt over het Scheveningse strand, rollen twee paar legerschoenen over de grond. Een reusachtig paar sandalen, maat 54, en een paar hoge bruine legerlaarzen. Het is schoeisel zoals dat tijdens de Tweede Wereldoorlog aan tienduizenden parachutisten werd uitgereikt. Met een opmerkelijk verschil. Beide zijn ze uitgerust met zes centimeter grote ijzeren springveren die met forse bouten zijn bevestigd aan zool en hak. De schoenen zien er uit als de bizarre vinding van Wile E. Coyote, de tekenfilmwolf die met springveren onder de zolen reusachtige sprongen kan maken in de achtervolging op aartsvijand Roadrunner. Tijdens de oorlog had dit bizar ogende dit schoeisel het antwoord moeten worden op het almaar toenemende aantal gebroken en verzwikte enkels van geallieerde parachutisten. Vele geallieerde testen leren dat het idee simpel, doeltreffend en zelfs levensreddend is. Het Nederlandse leger wil het idee wel te gelde maken en maakt een ronkende promotiefilm, maar het mag niet baten. De springschoenen zullen nooit in productie worden genomen. Niet vanwege een verwacht gebrek aan succes maar wegens een gebrek aan oorlog.

Iran

Het Perzië van de Shah
Ze ziet er schitterend uit, in de blauwe jurk met halfopen rug, zittend aan de lange tafel van het staatsbanket. Prinses Beatrix, vierentwintig jaar oud, bezoekt het Perzië van de Shah en Farah Dibah. Het is de eerste stop op een negen weken durende reis naar het Oosten. Om kennis te maken, om wat van de wereld te zien, maar ook om het rampgebied in Perzië te bezoeken. Het is oktober 1962, anderhalve maand na de zware aardbeving die een gebied van 300 km² in puin heeft gelegd. Tientallen dorpen zijn verwoest, het aantal doden wordt geschat op 12000 en meer dan 100000 mensen worden dakloos. Op de beelden die het meereizende Polygoon maakt voor een tien minuten durend journaal in kleur, loopt Beatrix met een grote schare Perzische autoriteiten door het rampgebied. Met bloemstuk, ook toen al.

De kroonprinses is niet zomaar in het rampgebied. De Europese Werkgroep (EWG), waarvan Beatrix presidente is, wil een dorp adopteren en het opnieuw uit het puin optrekken. Beatrix praat in Iran met Pierre Cochet, een Frans lid van een jeugdorganisatie, zo vertelt een krantenartikel uit die tijd. Wat het artikel niet vermeldt, is dat Cochet door de EWG is uitgezonden om een dorp uit te zoeken dat de EWG kan opbouwen. Cochet kiest het dorpje Dousadj, ongeveer 180 kilometer ten zuidoosten van Teheran. Waarom hij juist dit dorp kiest is onduidelijk. Ook de rapporten van de EWG zelf scheppen hierover geen duidelijkheid. Ze komen niet verder dan de simpele constatering dat Cochet na een bezoek aan het verwoeste gebied dit dorp uitkoos. Martin Dyas, één van de secretarissen-generaal van de EWG, is er in zijn uit 1976 stammende artikel iets duidelijker over. Dousadj ligt in het bergachtige gebied van het Kharagham district, 2000 meter boven zeeniveau en de grond is er onvruchtbaar en hard. Het grootste deel van het jaar is er een tekort aan water, er is geen markt in de buurt om de lokale producten te slijten, weinig te eten voor het vee, geen noemenswaardige opbrengst aan akkerbouwproducten en een slechte communicatie met de potentiële markten in het noorden van de provincie. Het dorp verschilt daarin niet van de omliggende dorpen in de regio. Het enige dat Dousadj voor heeft op de andere dorpen, zo schrijft Dyas, is dat het in het centrum van het Kharagham district ligt.

Cochet neemt contact op met het Instituut voor Sociale Studies en Onderzoek van de universiteit van Teheran om te laten onderzoeken welke problemen er om de hoek komen bij het opbouwen van het dorp. Het resultaat van het onderzoek is een aantal rapporten over de bevolking van het dorp en haar sociale structuur, haar welvaartsniveau en lokale gebruiken ‘geordend zodanig, dat het de informatie geeft die noodzakelijk is bij de planning van de reconstructie van het dorp’, zo stelt het voorwoord van een van de rapporten

16558902

De Europese Werkgroep
De EWG wordt in 1962 opgericht. Als aanleiding voor de oprichting geldt het congres van de Europese Culturele Stichting in Toulouse een jaar eerder, waar de jonge prinses Beatrix een speech houdt. Ze roept de Europese jongeren op hun verantwoordelijkheid te nemen voor het Europese ideaal en zich niet alleen met hun eigen zaken bezig te houden. ‘Een oproep tot actieve inzet voor een verenigd Europa in dienst van de wereld’, zegt de Tilburgse hoogleraar Alting von Geusau die erbij was. Het doet een beetje denken aan het Peace Corps dat de Amerikaanse president Kennedy in maart 1961 in het leven roept. Ook hij roept de jeugd op verder te kijken dan hun eigen belang en zich in te zetten voor het stimuleren van de welvaart in onderontwikkelde gebieden. 

Een groot aantal Europese jongeren geeft gehoor aan de oproep en de meest actieve personen onder hen richten de Europese Werkgroep op. Prinses Beatrix wordt presidente, Alting von Geusau voorzitter. Een klein secretariaat in Amsterdam dient als hoofdkantoor. Het doel van de werkgroep is volgens Alting von Geusau door één van de latere secretarissen-generaal goed verwoord: ‘te bouwen aan een verenigd Europa om anderen te dienen. In ons geval zou dat zijn: dat wij ons als jongeren, als Europeanen gezamenlijk, op vrijwillige basis beschikbaar moeten stellen om zo samen te helpen bij de nood van anderen’. Het mooie van die dienstbaarheid zou zijn dat je door iets samen te doen, eenheid ontdekt. Een culturele eenheid, die de Europese eenheid met de zes leden van toen nog mistte. Het was een element van voorbereiding voor het latere Europa, zo meent Alting von Geusau.

Dan doet zich die aardbeving voor in Iran. Het is een uitgelezen kans om met jongeren uit verschillende Europese landen hulp te verlenen in het rampgebied. ‘Om eindelijk concreet te maken wat we tot dan toe hadden gezegd en geschreven’, zo zegt de toenmalige voorzitter. En dus stuurt de EWG Cochet naar het rampgebied om een dorp te vinden. Wat er nu nog nodig is, zijn vrijwilligers om een compleet dorp te herbouwen. Om die vrijwilligers te werven verschijnt de kroonprinses eind april 1963 op televisie. Ze is dan net terug van een lange reis en het programma blijkt van tevoren te zijn opgenomen. Dat doet niets af aan de oprechte betrokkenheid die van haar gezicht is af te lezen. ‘Er is veel nood om ons heen…Maar wat zouden we er veel aan kunnen doen, als we maar wisten hoe’, zegt ze haast smekend in de camera terwijl ze schetst dat een klein groepje Europese jongeren zich na het stellen van die vraag heeft verenigd in de Europese Werkgroep. ‘De grondgedachte van de EWG’, zo zegt de prinses in de televisie-uitzending, ‘is diensten te verlenen aan anderen, in de meest ruime zin’. De groep wil iedere vorm van vrijwillig werk stimuleren en mensen steunen waar nood zich voordoet en ziet in de aardbeving in Iran een kans te verwezenlijken waarvoor ze staat: ‘We voelden dit als dé uitdaging aan onze hooggestemde, maar misschien wat vage ideeën. Zouden we ze nu werkelijk in de praktijk kunnen uitvoeren?…In overleg met de Perzische autoriteiten hebben we besloten een dorp te adopteren. Dit dorp heet: Dousadj’, zo vervolgt Beatrix.

Nu wordt ook duidelijker waarom gekozen is voor Dousadj. Prinses Beatrix interviewt in de uitzending namelijk David Mitchnik, de leider van het project in Iran. Die vertelt dat Dousadj aan de rand van het rampgebied ligt en dat het, afgelegen als het is, nog weinig hulp heeft mogen ontvangen. De andere getroffen dorpen liggen dichter bij Teheran of meer in de buurt van de hoofdwegen en zijn daardoor in dit opzicht bevoordeeld. Juist daarom heeft Dousadj onze hulp nodig, zo vertelt Mitchnik, waarna Beatrix het vertaalt voor de kijker.

De uitzending, genaamd ‘Actie Dousadj’, wordt uitgebreid besproken in De Telegraaf. ‘Prinses toonde zich tv-persoonlijkheid’, jubelt Henk van der Meijden op de showpagina op 30 april 1963. Daarnaast wordt er in de kranten melding gemaakt van de actie en ook hiermee probeert de EWG mensen te werven. De Groene Amsterdammer meldde al op 6 april 1963 dat er wordt gezocht naar onder meer een kampleider, werkleider, kooksters, verpleegsters en tien tot twintig mensen met ervaring in de bouwvak die zes tot negen maanden willen werken in Iran. Die ervaren krachten lijken uiteindelijk te zijn verkregen van verschillende buitenlandse hulporganisaties en die in bijvoorbeeld Algerije al meewerkten aan het bouwen van huizen. De vrijwilligers die zich in Nederland aanmelden, zijn onervaren, veelal studenten op zoek naar avontuur.

Het kamp in Dousadj

Vrijwillig in een werkkamp
De vrijwilligers die zich aanmelden gaan in eerste instantie naar Parijs. In een buitenwijk van de stad knappen ze daar bij wijze van oefening een oud huis op. Ook hiervan bestaan beelden in het televisiearchief. De sollicitanten en hun verhalen zijn in sommige gevallen aandoenlijk. Zo is er een binnenhuisarchitect die meent dat zijn kennis bij het bouwen van eenvoudige huizen in Iran wel van pas kan komen, een vrijwilliger die ‘het gecultiveerde leven in Europa een beetje beu is’, maar daarnaast ook denkt op deze manier aan de primitievere volkeren daadwerkelijke steun kan verlenen en hun doen en laten in hun eigen omgeving beter kan leren kennen.

Na een training van een week in Parijs, vliegen de vrijwilligers via Istanbul naar Teheran. Daar stappen ze in een bus voor een vijf uur durende reis naar het verwoeste dorp. Onder de vrijwilligers bevinden zich Nederlanders, Britten, Fransen, een Oostenrijker, een Australiër, een Zwitserse, een Amerikaanse en een Zweed. De Britse vrijwilliger David Palmer is een van de eersten die in Dousadj aankomt. Hij heeft eerder voor een andere organisatie huizen gebouwd in Algerije en is intussen wel gewend aan de omstandigheden in het Midden-Oosten. Palmer zit in de eerste groep die vlak bij het dorp zelf nog een kamp moet bouwen om de groep vrijwilligers onder te brengen. Tenten zijn er nog niet, water is schaars, ’s nachts is het bitter koud, overdag droog en heet.

De leiding van het project is in Iran in handen van David Mitchnik, maar een aannemer uit de buurt is aangezocht het dagelijkse werk uit te voeren, samen met de vrijwilligers. En samen met de bewoners van het dorp. Datlaatste ziet ieder die er mee te maken heeft gehad als de grote kracht van het project. De huizen die de EWG oplevert, zijn gebouwd door een lokale aannemer, in een project onder leiding van de Joods-Egyptische projectleider Mitchnik en gemaakt met de betrokkenheid van de bewoners zelf, die daarom ook in de huizen gaan wonen. Dit in tegenstelling, zo wil het verhaal, tot de huizen die andere organisaties in andere dorpen bouwen. Die blijven leeg, of worden door de bevolking gebruikt als stal voor het vee.

Rob Assenmacher voegt zich later bij het kamp. Hij is met zijn gitaar en met Ed van der Zee op wereldreis. Ze zijn gestrand in Turkije. Het geld is op en het is Ed van der Zee die zich herinnert dat hij de prinses op televisie een oproep heeft zien doen voor vrijwilligers om te helpen in Iran. Ze reizen naar Teheran en melden zich bij de Nederlandse ambassade. ‘Ze waren allang blij dat we niet voor geld kwamen, een stel van die zwervers. Ze verwezen ons naar Mitchnik, die een huis had in Teheran en die blij was dat we er waren: “Ha fijn, een muziekinstrument”, zei hij. En niet veel later zaten we in dat kamp’, zo vertelt Assenmacher, zittend op de bank in Amsterdam.

In het kamp brengt een vrachtauto de vrijwilligers ’s ochtends voor vijf uur van het kamp naar de bouwplaats. Het nieuwe dorp wordt gebouwd niet ver van het oude dorp, op de naastgelegen berg. De huizen worden gebouwd in rijen, in een soort blokken, waarbij de traditionele manier van bouwen met veel klei en stro, wordt verlaten. De vrijwilligers bouwen huizen van holle steenblokken, waarin ze een staalconstructie zetten, waarna ze de holtes in de steenblokken volgieten met een soort cement. De vrijwilligers bouwen niet alleen 120 huizen, maar ook een moskee, een school en een badhuis.
Het probleem is de watervoorziening. Was dat in het oude dorp al een moeilijkheid, in het nieuwe dorp is het heel lang onzeker of er water gevonden zal worden. Volgens David Palmer was er nog steeds geen water gevonden op het moment dat hij en de andere vrijwilligers vertrokken uit het kamp. In het archief van de EWG ligt een fotoboek met daarin foto’s die zijn gemaakt enkele jaren nadat de huizen zijn gebouwd. Hierop is een soort waterinstallatie te zien en het bijschrift vermeldt dat deze in 1967 gereed was. Dat zou kunnen kloppen: op beelden die in het dorp zijn gemaakt in 1968 zijn werkende kranen te zien.

Palmer en Assenmacher werken aan de staalconstructies die in het beton van de muren worden gezet. Het is zwaar werk: met een hamer de lange stalen pijpen recht slaan, terwijl de zon op hun lijf brandt. Ze hebben een afdakje gemaakt om onder te werken en zijn tot op de dag van vandaag tevreden over de beschutting die dat bracht. ‘Sommige kerels werkten in de volle zon, maar dat was wel heel erg warm’, vertelt een van hen. Aan het eind van de dag brengt de truck de mannen weer terug naar het kamp, waar de paar vrouwen die het kamp rijk is, het eten hebben bereidt. Geen overdadig maal, net zo min als er iets te doen is ’s avonds. Palmer vertelt dat sommigen van de vrijwilligers vrijwel meteen naar bed gingen na het eten en ook Assenmacher kan zich niet herinneren dat er iets gebeurde ‘s avonds. ‘Er was geen vertier. Ik heb wel eens naar huis geschreven: “het enige wat je hier kunt doen is lezen, slapen en ruzie maken”. Meer was er niet’, zegt hij ook nu nog met enige verbazing. Gelukkig heeft hij een gitaar bij zich, het muziekinstrument dat Mitchnik zo enthousiast begroette.

Beatrix weer op bezoek
Het is oktober 1963 als de oplevering van de gebouwde huizen nadert. Vanaf mei hebben de vrijwilligers aan de huizen gebouwd en vlak voor de oplevering komt de presidente van de EWG op bezoek in het dorp. Beatrix is samen met haar ouders op staatsbezoek in Perzië en de kroonprinses komt een dag kijken bij het dorp dat haar organisatie heeft geadopteerd. Assenmacher ziet haar aankomen rijden na een urenlange reis in een open jeep. Hij denkt bij zichzelf: ‘Die zal wel wat lusten’ en brengt haar een glaasje cola. Het moment dat hij staat te kijken en zij een slok van die cola neemt, is op een foto vastgelegd. Volgens Assenmacher was er nog een foto, waarop ze haar hand op zijn arm legt en erg moet lachen om een grap die hij maakt. Maar zoals dat gaat met de beste foto’s, die verdwijnen in de loop der jaren.
Terwijl koningin Juliana een naburig dorp bezoekt en prins Bernhard deel neemt aan een jachtpartij, richten de dorpsbewoners een feestmaal aan ter gelegenheid van het bezoek van de prinses. Er zijn een aantal foto’s waarop de jonge prinses op een kleed op de grond zit, met een lange lage tafel met een keur aan gerechten erop in het midden en vrijwilligers en lokale bevolking eromheen. Het is een van de weinige keren dat de vrijwilligers met de lokale bevolking in contact komen, buiten het normale contact tijdens het werk. Assenmacher vertelt dat hij er ook voor is gewaarschuwd niet teveel aandacht te schenken aan de lokale vrouwen, want daarmee zou je in de problemen komen; die hadden broers en vaders enzo. Daarnaast begon het hem tegen te staan dat de bevolking de vrijwilligers uitnodigden en dan zo uitpakten dat het bijna beschamend werd. Na een paar keer zorgde Assenmacher ervoor dit soort uitnodigingen te ontlopen.

Dr. Alting van Geusau

Succesvol maar toch beëindigd
Volgens Palmer was het te danken aan het feit dat de EWG ruim in het geld zat, dat ze het zich kon veroorloven een lokale aannemer in de arm te nemen. Alting von Geusau herinnert zich dat ze hadden gehoopt dat de actie meer geld zou leveren. ‘Die campagne heeft een maand geduurd. Het is goed gegaan, maar de opbrengst is ons toch een beetje tegengevallen’, zegt hij nu.

Die opbrengst van de actie is te danken aan de fondsenwervers in Nederland en misschien ook aan het uithangbord Beatrix. Maar Alting von Geusau bestrijdt dat de prinses alleen een uithangbord is geweest; volgens hem was ze veel meer betrokken en heeft ze veel meer gedaan. ‘Haar betrokkenheid was heel direct. De prinses kwam vele malen per week op het kantoor van de EWG in Amsterdam. Ze was betrokken, maar deed ook met alles mee’. Hij toont een foto waarop hij en de prinses zijn afgebeeld. ‘Ik heb hier een foto opgediept waar we in de keuken zitten. Als er een vergadering uitliep of vroeg in de avond begon, dan kwam ze met een pan soep aan om te zorgen dat we niet alleen vergaderden maar ook wat te eten kregen. Toen de actie Dousadj begon, heeft ze een hele dag enveloppen geplakt. Dat was typisch voor haar betrokkenheid’, zo zegt Alting von Geusau nu.

Nadat de huizen zijn opgeleverd, gaat het project van de EWG verder met de bouwtrainingen om de bevolking van Dousadj betere methodes aan te leren en tegelijkertijd de opbrengst van de landbouw te vergroten. Dit project heeft een aantal jaren gelopen, totdat in 1968 de EWG toch vrij plotseling wordt opgeheven.

Voor de vrijwilligers is het een nog altijd een raadsel waarom de EWG, toch zo succesvol, in 1968 is opgeheven. Het blijkt een geldkwestie te zijn en omdat het niet meer gaat zoals de EWG het wil, besluiten ze ermee op te houden. ‘We hadden aanvankelijk gedacht dat de Europese jongeren die niet als vrijwilliger werden uitgestuurd, bereid zouden zijn de anderen financieel te steunen. Daar is niet zoveel van terechtgekomen. We hebben daarna gehoopt om eventueel voor een Europees Vrijwilligers Corps subsidie van regeringen te krijgen. Maar de regeringen, ook de Nederlandse, hadden hun eigen vrijwilligersprogramma, dus ook daar kwam niet veel van terecht’, zegt Alting von Geusau die uiteindelijk moet meedelen dat de organisatie haar activiteiten gaat staken. ‘Ik heb dat toen zo geformuleerd: “We willen het of goeddoen, of het is beter om het anderen te laten doen. We willen niet doorklungelen met te weinig financiële middelen, te weinig ondersteuning, te weinig ideaal om waar we mee begonnen zijn ten uitvoer te brengen”, betreurt Alting von Geusau.

Van de tegenwoordige inwoners van Dousadj koesteren de ouderen de herinnering aan de vrijwilligers en de Nederlandse prinses. Wanneer afgevaardigden van het Wereld Voedsel Programma zich in het dorp aandienen, noemen de bewoners al snel de namen van de Nederlandse vrijwilligers die hebben geholpen met het bouwen van hun huis. Het duurt niet lang voor een van hen met een portret van de jonge prinses naar buiten komt en het de camera toont. ‘We hebben onvergetelijke herinneringen aan hen en zo lang we leven blijven ze in onze herinnering. Vooral die bijzondere Nederlandse koningin, die toen nog prinses was. Zeg maar dat we een foto van haar hebben. Die hebben we dertig, veertig jaar goed bewaard. Ze heeft een warm plekje in ons hart’, zo zegt één van de mannen uit het dorp.

Bronnen

IRAN

ARCHIEF
Archief Europese Werkgroep, Koninklijk Huisarchief, Den Haag.

BEELDARCHIEF
De beelden van de oproep van prinses Beatrix in de ‘Actie Dousadj’, komen van de NTS, 29 april 1963.

De kleurenbeelden van de prinses in het rampgebied komen uit het polygoonjournaal.

Verder is geput uit een film die de EWG zelf heeft gemaakt over Dousadj en is gebruik gemaakt van een aflevering van Hier en Nu (NCRV) en een reportage van Aad van den Heuvel over Dousadj (NTS)

Literatuur

De Groene Amsterdammer, 6 april 1963
De Telegraaf, 11 april 1963
De Telegraaf, 30 april 1963
De Telegraaf, 1 mei 1963
W. Martin Dyas, Earthquake in Quazvin, North-West Iran. 1st September 1962

Springschoenen

Patent 123904
Op pagina 886 van het Australian Official Journal of Patents, trade markes en designs dat op dinsdag 17 april 1947, in de Australische hoofdstad Canberra wordt uitgegeven staat onder patent nummer 123,904 de uitvinding van Luitenant J.A. Bakker vermeld. De (vertaalde) tekst luidt: Om de schok van de landing bij parachutisten te verminderen is tussen de zool en een valse zool van een legerlaars of sandaal, een aantal stalen veren aangebracht die worden beschermd door een stoffen cover.

Het geheel wordt verluchtigd met een schematische tekening van een legerlaars waaronder springveren zijn bevestigd. In dezelfde uitgave worden ook patenten uitgeven voor een ijshockeyspel met flippers, een sorteermachine voor kleingeld en een keur aan innovatieve zaken die betrekking hebben op de oorlogsindustrie, zoals het landingswiel van een vliegtuig met 12 afzonderlijke luchtcompartimenten, een speciale manier van klinknagelen om een vliegtuigvleugel sterker te maken en een beschermhuis waarin een grondradar geplaatst kan worden.

Jan Bakker
<br/>

Engelandvaarder
Zes jaar eerder, midden 1941, slaagt de negentienjarige Jan Bakker erin om vanuit bezet Nederland naar het neutrale Zwitserland te komen waar hij zich bij zijn stiefvader voegt. Deze is sinds 1938 als militair attachee in Bern werkzaam. Generaal -Majoor Van Tricht verhindert dat zijn stiefzoon onmiddellijk naar Londen doorreist om iedere vorm van partijdigheid te vermijden en terwijl de jonge Bakker wacht op zijn beurt werkt hij in het geheim voor de militair attaché. Hij onderzoekt vluchtroutes naar Engeland die via Italië, Frankrijk en Spanje lopen. Hij ondervraagt uit bezet gebied ontsnapte krijgsgevangen en verzetslieden en koopt onderhands gouden munten op die als reisgeld meegegeven worden aan Engelandvaarders. Tijdens zijn militaire training merkt hij aan den lijve dat de parachutes, die in wezen niets meer zijn dan een halve bol van zijde, niet of nauwelijks te besturen zijn en dat bij de landing een gevaarlijke rol uitgevoerd moet worden om de enorme neerwaartse snelheid te remmen. ‘Als we bijna op de grond waren moesten we onze benen strak tegen elkaar aan doen,’ herinnert Jan Bakker zich, ‘ze een beetje buigen en als je de grond raakte dan moest je om te voorkomen dat je benen zou breken, een koprol maken. De zogenaamde paralanding fall. Ik heb vele malen gezien dat een para zijn enkel verzwikte of zijn benen brak en op een film die bij de landingen bij Arnhem in september 1944 werd gemaakt is zelfs te zien hoe een para doodvalt. Om de enorme schok die bij de landing ontstaat op te vangen heb ik toen een paar sterke veren onder reguliere soldaten laarzen gemaakt en daarmee ben ik vervolgens aan het testen geslagen.’

Tegenwoordig hebben para’s de beschikking over matrasvormige parachutes die veel meer opwaartse kracht hebben bij de landing. Deze parachutes creëren door het aantrekken van de stuurlijnen extra lift waardoor de parachute langzamer daalt. Er is dan bijna geen verticale snelheid meer maar nog wel horizontale snelheid. De parachutist komt langzaam en vooral gecontroleerd op de grond aan. In augustus 1943 laat hij zijn vinding aan generaal Legge, militaire attachee van de VS in Bern, zien. De generaal voert wat testen uit en is zeer enthousiast. Zo enthousiast dat hij onmiddellijk een lovend rapport over de springschoenen schrijft en deze op microfilm, via bezet Frankrijk, aan de Militaire attachee van de VS in Madrid stuurt.

Jan Bakker

Superman
Uit een lijvige dossier dat voor Bakker op tafel ligt haalt hij 5 kleine vierkante foto’s tevoorschijn, die mits in de juiste volgorde gelegd, het verhaal van de Zwitserse testen vertelt. Op de eerste foto is in de linkerbovenhoek alleen een paar springschoenen zichtbaar. ‘Hier spring ik uit een vijf meter hoge boom,’ zegt Bakker met nauwelijks verholen trots. ‘Dat is bijna net zo hoog als deze etage op de tweede verdieping en geen centje pijn hoor. Alle energie wordt door de veren opgenomen. U mag hier best even uit het raam springen hoor, om het te proberen.’ Op de volgende foto’s springt een jonge Jan Bakker, met flapperende broekspijpen bij voortduring op en neer. De springveren onder de leger laarzen zijn duidelijk zichtbaar. Over deze proeven schrijft hij een rapport waarin hij drie voordelen boven gewone schoenen noteert.

Ten eerste is de schoen net als een fietszadel schokbrekend wat ze buitengewoon geschikt zou maken voor parachutisten. Er zouden minder blessures ontstaan bij het parachutespringen.Verder neemt de loopsnelheid toe; niet alleen voor de para’s maar ook voor het reguliere leger en zelfs in het gewone leven zouden deze veren zeer handig kunnen zijn. ‘Ik liep grote afstanden met een rustige en elastische tred zonder moe te worden’ zegt Bakker ‘Bovendien kostte het me minder moeite iedere keer als de veren werden ingedrukt door het gewicht van de loper werd de snelheid vergroot zonder dat ik daarvoor moeite hoefde te doen. Bij elke stap kreeg je een extra kick en ik had het gevoel dat ik superman was bovendien kon ik over hekken springen waar anderen moeizaam overheen moesten klauteren’
Tenslotte kan er elektriciteit mee opgewekt worden: door een kleine Philips hand dynamo tussen de veren aan te brengen kan er licht gemaakt worden zonder enige spierkracht. Tevens zag Bakker een mogelijkheid om met de opgewekte stroom een radio aan te drijven.

Londen
Als Bakker midden 1944 na een moeizame tocht over de Pyreneeën, via Madrid in Londen aankomt is er niets met de microfilm gedaan en blijkt het ‘springschoenen’ dossier ondergebracht bij het ministerie van Koloniën waar het in een la stof ligt te verzamelen. Eind 1944 vertrekt de inmiddels tot 2de luitenant gepromoveerde Jan Bakker naar Australië waar hij in juni 1945 aan de School of military Intelligence cum laude zijn diploma behaalt. 

Het idee van de schokbrekende schoenen laat hem echter niet los en in Australië vraagt hij er een mondiaal patent op aan. Bakker: ‘van mijn eigen soldij, maar ik was ervan overtuigd dat het ooit geld zou opleveren.’ In zijn huiskamer gaat Bakker rechtop staan. Hij is zeker zes centimeter langer dan even daarvoor en schuifelt ongemakkelijk door de kamer. Aan zijn kousenvoeten de reusachtige sandalen. De veren afgedekt door groengrijs canvas. ‘Dat lopen ging me een halve eeuw geleden een stuk makkelijker’ moppert hij totdat hij zich doorkrijgt dat hij zijn eigen schoenen niet had hoeven uittrekken. De sandalen waren er juist voor bedoeld om over gewone schoenen aan te trekken. Om ze vervolgens na de landing uit te schoppen.

Testen
In Australië gaat het testen van de springschoenen voort. The Netherlands forces itelligence section devision III, NEFIS III, de organisatie die geheime operaties in het pacifiche gebied uitvoert, onderwerpt de schoenen aan testen en rapporteur Lt R van Aarem is laaiend enthousiast. Hij is van mening dat springschoenen een grote bijdrage kunnen leveren aan het operationele werk van de organisatie. ‘Omdat er in kleine groepjes geopereerd wordt kan de organisatie het zich niet veroorloven mannen te verliezen met gebroken of verstuikte enkels zoals dat bij andere operaties wordt ingecalculeerd. Daarnaast ziet Van Aarem grote voordelen in de springschoenen mocht een para onverhoopt in een boom terechtkomen. Deze kan deze zich lossnijden en gewoon naar beneden springen. ‘It will now be possible ( if not too high) to jump down instead of using ropes, as during the trial jumps out of trees have been made up to approximately 15 feet’ staat er in het rapport. Hij eindigt met de aanbeveling dat hoewel er nog meer testen noodzakelijk zijn hij ervoor pleit de schoenen in productie te nemen.

Om de geallieerden te overtuigen van het nut van de schokbrekende schoenen laat NEFIS III een film maken waarop duidelijk te zien is hoe goed de schoenen, en een schokabsorberende helm die Bakker naar hetzelfde principe heeft ontworpen, werken. ‘Safe Landings’ is een gelikte promotiefilm maar zal de geallieerde strijdkrachten nooit bereiken. Het einde van de oorlog, op 15 augustus 1945, gooit roet in het eten voor Bakker en zijn plannen om rijk te worden. Nooit zullen er para’s landen met aan hun voeten de vinding van Luitenant Bakker. En ook zijn laatste poging om vrouwen voor zijn springschoenen te interesseren strandt. Een muiltje met veren op zool en hak weet, ondanks een wervend stukje in de Sunday Telegraph dat lopen op lucht beloofd, niet voor opschudding te zorgen in de lokale schoenwinkels. Wat Bakker rest zijn een paar prototypes en een wereldwijd patent met nummer 123.904.2.

Credits
  • Regisseur Springschoen
    Hein Hoffmann
  • Regisseur Iran
    Godfried van Run
  • Researcher
    Rob Bruins Slot
  • Iran
    Rob Bruins Slot
  • Springschoenen
    Hein Hoffmann