Meer verdieping op het gebied van geschiedenis? Kijk op NPOFocus.nl
↳ Enter om te zoeken
23 december 2003

Ouwehands Dierenpark

ijsbeertjes
Bekijk Video
29 min

Het is 16 februari 1945. De bevolking van Rhenen is geëvacueerd. Op de Grebbeberg, in Ouwehands Dierenpark is een paar man achtergebleven om de dieren te verzorgen. Van de Duitse bezetter hebben ze daarvoor speciale toestemming gekregen. Maar de geallieerden komen dichterbij en de Duitse legerleiding wil dat nu ook de laatste burgers uit het oorlogsgebied vertrekken. In dat geval zullen alle dieren van de honger sterven of door de Duitsers worden opgegeten. Daarom besluiten de mannen om weg te gaan met alle dieren die ze mee kunnen nemen. Maar waar naar toe, dat weet nog niemand…

Door te leren bijten zetten de vroege amfibieen de eerste stappen in de ontwikkeling richting een stoer landdier.

De voorgeschiedenis

De oorsprong van het dierenpark ligt in de kippenboerderij die Cornelis Ouwehand (1892-1951) als hobby houdt naast de pluimveevoederfabriek, die hij samen met een compagnon bezit. Er lopen sierkippen en -eenden rond, maar ook wat exotische dieren. Ouwehand nodigt regelmatig klanten uit om zijn voederfabriek te bezoeken. Dan neemt hij ze ook altijd mee naar de kippen. Hij heeft een stel prachtexemplaren en die moeten de boeren het idee geven dat het voedsel van Ouwehand wel héél bijzonder is. De gewiekste zakenman heeft snel in de gaten dat het gros van zijn klanten meer belangstelling heeft voor de dieren dan voor zijn fabriek. Daarom besluit hij om er meer dieren bij te halen: hij koopt eens een wasbeertje, dan weer een aapje... Beetje bij beetje breidt de collectie zich uit. Wanneer in 1929 de economische crisis uitbreekt heeft dat ook grote gevolgen voor de voederfabriek. De omzet daalt flink.

Ouwehand besluit de gok te wagen en gooit het over een compleet andere boeg. Hij verkoopt de hele handel aan zijn compagnon op één voorwaarde: dat deze de fabriek ergens anders voortzet. Ouwehand heeft namelijk besloten om op de Grebbeberg een dierenpark te beginnen. Hij reist héél Europa af en bezoekt verschillende
dierentuinen. Zo krijgt hij een idee van hoe zijn ideale dierentuin er straks uit zal moeten zien. In 1932 gaan de poorten van Ouwehands Dierenpark voor het eerst open. Voor dertig cent mag iedereen naar binnen. In eerste instantie is het nog geen volwaardige dierentuin. Kippen vormen nog steeds de hoofdmoot. Aangemoedigd door de groeiende publieke belangstelling komen er
steeds meer dieren bij: olifanten, giraffen, beren, nijlpaarden... Maar dé publiekstrekker is wel de 1000-krokodillenshow.

In twee bassins kruipen honderden grote en kleine exemplaren langs, over en door elkaar heen. Een waar spektakel voor de bezoekers, die de levensgevaarlijk reptielen ook nog eens zelf mogen voeren. Bij de ingang worden namelijk zakjes vlees verkocht.
De krokodillen maken deel uit van een grote rondtrekkende show. In eerste instantie huurt Ouwehand de dieren nog, maar al snel zijn ze zó’n groot succes dat hij besluit om de show in z'n geheel over te nemen.

Oorlogsdreiging

Op 10 mei 1940 staan de legers van Hitler aan de grens. Tot het laatste moment heeft de regering in Den Haag nog de hoop gekoesterd dat ons land neutraal kan blijven (net als in de Eerste Wereldoorlog). Nu is een strijd niet meer te voorkomen. De oorlogsdreiging is ook goed te merken aan de activiteiten op en rond het park, dat gevestigd is in een militair strategische gebied (de Grebbelinie). Het gebouw van de voormalige veevoederfabriek, dat inmiddels dienst doet als pakhuis, wordt gevorderd. Vanaf dat moment wordt er gekookt voor de duizenden militairen die rond het park zijn gelegerd. Ook komen er legerpaarden te staan. Het park zelf is in de acht jaar na de opening uitgegroeid tot een volwaardige dierentuin. Alle belangrijke dieren lopen er rond, en bij voorkeur in grote aantallen. Maar de aanwezigheid van zoveel roofdieren is volgens de Nederlandse legerleiding levensgevaarlijk. Als de Duitse aanval straks begint zullen zeker ook de dierenverblijven bij de beschietingen worden geraakt. Het risico dat de beesten daarbij vrijkomen is te groot. Daarom moeten ze preventief worden geruimd. Ouwehand heeft geen vertrouwen in de schietkunsten van de Nederlandse militairen en besluit de roofdieren zelf te doden. Hij vreest een bloedbad omdat de dieren vast en zeker in paniek zullen raken als de gewapende militairen het park op zullen komen. In het boek ‘Het vaderland spreekt tot de jeugd’ (dat na de oorlog verschijnt) schrijft Cor Ouwehand: “Onder het geronk van de nog altijd overvliegende Duitse machines, begeleid door het donderende afweervuur, maak ik de zware gang langs de roofdierenverblijven, mijn zenuwen zo goed mogelijk beheersend om de dieren niet nodeloos te doen lijden. Een voor een vallen mijn leeuwen, tijgers en beren...”

Joop Baars werkt als kantoorbediende op het park. Hij treft Ouwehand Sr vlak na het bloedbad: "Ik heb hem nooit in tranen gezien, alleen op dat ogenblik. Want ik kwam die morgen op kantoor, om half negen geloof ik dat het was en toen stond hij in de keuken. Toen had hij net zijn taak volbracht. Ja, dat was erg aangrijpend"

Wat hij de jonge Baars niet vertelt is dat niet alle roofdieren zijn gesneuveld. Tot het laatste moment wacht hij met het schieten van de ijsberen. IJsbeermoeder Maxie heeft namelijk kort geleden twee kleintjes gekregen. De tweeling staat niet op de dodenlijst, maar zonder hun moeder zullen ze alsnog sterven. Daarom besluit Ouwehand alleen het mannetje te schieten en het vrouwtje te sparen. Als de militairen even niet in de buurt zijn lokt hij de dieren in het binnenverblijf. Zo hoopt hij ze te redden. Zeker in die tijd worden er in dierentuinen maar zelden ijsberenbaby's geboren. Bovendien zijn het er ook nog eens twee. De ijsbeertjes doodschieten betekent dat hij in één klap zijn grote publiekstrekkers kwijt zal raken.

Op 10 mei 1940 krijgen Ouwehand en zijn medewerkers te horen dat ze van het park moeten verdwijnen. De schuilkelder die zich onder het woonhuis bevindt, wordt door de plaatselijke legercommandant gevorderd.

Als de vijand eenmaal aan de grens staat kunnen de slecht voorbereide Nederlandse militairen weinig uitrichten tegen de Duitse overmacht. Slechts enkele dagen houden ze stand op de Grebbeberg.

Capitulatie

Kort na de capitulatie ziet Ouwehand, die door Nederlandse militairen naar het toen nog veilige Amsterdam is gebracht, kans om terug te keren naar zijn dierenpark. Hij schrikt van wat hij daar aantreft. In het Dordrechtsch Nieuwsblad valt eind 1940 te lezen: “Toen hij er Woensdag 15 Mei weer terugkwam, zag het dierenpark er tragisch uit; het was een chaos geworden - een woestenij. Half klauterend, half struikelend trok de heer Ouwehand over de paden, vol met gaten en bergen takken en hij bekeek, diep onder den indruk, de opengereten hokken, de smeulende muren der gebouwen, de doode dieren. Het splinternieuwe kantoorgebouw, de magazijnen en dienstwoningen, alle aan den voorkant van het park gelegen, waren geheel verwoest - alles droeg de sporen van den hevigen strijd”

Maar er is ook een lichtpuntje: ijsbeermoeder Maxie en haar twee jongen zijn nog in leven. Misschien dat Cor Ouwehand hier moed uit put. In ieder geval laat hij zich niet door de gebeurtenissen ontmoedigen: al vrij snel gaan de poorten van het dierenpark weer open. Terwijl aan de ene kant het publiek zich vergaapt aan de overgebleven dieren (én aan de oorlogsschade natuurlijk) worden aan de andere kant de puinhopen geruimd. Steen voor steen wordt het dierenpark weer opgebouwd.

“Het pleit voor het initiatief en het doorzettingsvermogen van den heer Ouwehand, dat zijn artis, die tot één der grootste en meest verzorgde in den lande behoort, er weer perfect uitziet. De dieren zijn allemaal weer rustig en tevreden; de flamingo's staren u weer op één been aan, alsof er nooit iets aan de hand was en de nieuw aangekomen leeuwen wandelen in volle gemoedsrust in hun home rond”, schrijft de journalist van het Dagblad van het Oosten. Dankzij de hulp van buitenlandse handelaren en enkele bevriende dierentuinen zijn er zelfs weer leeuwen en beren.

In 1942, bij het tienjarig jubileum, volgt de officiële heropening. Want hoe gek het ook klinkt, de oorlogsjaren leggen het dierenpark bepaald geen windeieren. De mensen hebben niet zoveel mogelijkheden om zich te vermaken (een buitenlandse vakantie zat er even niet in) en daarom zoeken ze dankbaar hun vertier op het park. Via het spoor, de treinverbinding naar Rhenen was nog prima, komen dagjesmensen uit het hele land. Naar bezoekersaantallen gemeten is 1943 zelfs het meest succesvolle jaar sinds de oprichting. Het lijkt wel of er helemaal geen oorlog aan de gang is. Maar dat is schijn...

Dhr Baars

Evacuatie

In september 1944 komen de gevechtshandelingen weer dichterbij. De geallieerden rukken op. De Duitse commandanten bereiden zich voor op een directe confrontatie en willen daarom geen burgers die in de weg kunnen lopen. Rhenen en omgeving moet worden geëvacueerd. Cor Ouwehand en zijn vrouw zijn kort daarvoor door hun zoon Bram naar Doorn gestuurd. Het ligt niet in de aard van Ouwehand Sr om problemen uit de weg te gaan en Bram, die ook op het park werkt, is bang dat het ontactische gedrag van zijn vader wel eens verkeerd zou kunnen vallen bij de Duitsers. Bovendien is zijn gezondheid slecht. De verwoesting van het park, dat hij met zoveel moeite heeft opgebouwd, en het schieten van roofdieren hebben hem zeer geraakt. Bram is bang dat zijn vader een eventuele herhaling van de gebeurtenissen niet zou kunnen verwerken. Cor Ouwehand ziet dat blijkbaar ook zelf wel in, anders zou hij zich nooit zonder tegenstribbelen hebben laten wegsturen. De dagelijkse leiding komt nu in handen van Bram Ouwehand. Samen met Joop Baars, zijn latere zwager, en nog vier anderen blijft hij achter op het park. Ze krijgen van de Duitsers toestemming om de dieren te verzorgen. De achterblijvers nemen hun intrek in de schuilkelder, de enige plek waar ze veilig zijn voor de geallieerde granaten die, met steeds grotere regelmatig, het park treffen. Baars: “We hebben het zelfs een keer zo gehad, toen liepen er een paar Duitse officieren op het park. Mijn zwager en ik zien die mensen op een gegeven moment in de sneeuw liggen. Ik zeg: wat is er? Toen antwoordden ze: hoor, hoor! Ze dachten dat er granaten overvlogen, maar het bleken de wolven te zijn. Het gejank van de wolven was precies hetzelfde geluid als dat van de granaten.”

Bij de ingang van de schuilkelder staat een tentje waarin gekookt wordt. Koken is in deze periode een gevaarlijke bezigheid. De geallieerden, die inmiddels al in de Betuwe zitten, beantwoorden de rookpluimen van het kooktoestel met granaatvuur. Aan eten hebben de mannen (nog) geen gebrek. Met de achtergebleven restaurantvoorraad kunnen ze het nog wel een tijdje uithouden. De spullen (inclusief de kostbare voorraad jonge jenever) liggen in een kuil onder de grond verstopt, zodat de Duitsers ze niet vinden. Vlees is er ook nog; dieren die door granaatscherven zijn getroffen worden door de mannen gegeten of aan de roofdieren gevoerd. Een enkele keer wordt een dier geslacht. Voor de herbivoren is nog voedsel te halen op de verlaten boerderijen in de omgeving. Eén van die boeren heeft zich aangesloten bij de achterblijvers op het park (zo kan hij in het gebied blijven én voor zijn eigen dieren zorgen). Hij heeft een paard en wagen en dat is ideaal om het voedsel aan te voeren.

Naarmate de oorlog langer duurt wordt ook in de omgeving van Rhenen het voedsel schaarser. De Duitsers hebben inmiddels alles wat eetbaar is van de boerderijen en uit de woonhuizen gehaald. Ze komen nu ook op het dierenpark kijken of dáár nog wat te halen valt. Vanaf nu worden er steeds vaker dieren vermist.

Dan komt het moment waarvoor iedereen bang is geweest. De Duitse militairen willen net als hun Nederlandse collega's een paar jaar eerder dat de roofdieren worden geschoten. Gelukkig komt die mededeling enkele dagen voordat het vonnis zal worden geveld. Nu kan worden geprobeerd om een deel van de dieren elders onder te brengen. Een paar leeuwen en een poema vertrekken per vrachtwagen naar Amsterdam (Artis). Andere dieren kunnen in Rotterdam (Diergaarde Blijdorp) terecht. Als de Duitsers op 18 november 1944 de roofdieren komen schieten is er nog maar een handjevol op het park te vinden. IJsbeer Maxie en haar twee kleintjes zijn noodgedwongen achtergebleven. De jonge ijsberen zijn inmiddels flink gegroeid en te groot om snel naar een veilige omgeving te kunnen worden gebracht. “Maxie heeft haar kleine teddybeertjes alleen maar groot gebracht om hen thans te zien vallen onder de kogels der barbaren, die grommend protest verstikken in de golf van bloed.” (uit: ‘Het vaderland spreekt.’)

J. Baaars en A. Ouwehand

De uittocht

Een paar maanden later,het is inmiddels 16 februari 1945, komt het volgende onheilsspellende bericht. Via de Hollandse SS krijgt Bram Ouwehand te horen dat hij onmiddellijk van het park moet verdwijnen. Met de geallieerden op steenworp afstand willen de Duitsers ook de laatste 

burgers uit het gebied. Bovendien valt er op het park nog heel wat vers vlees te halen en ook vermoeden de Duitsers dat er nog waardevolle spullen in de kluizen bewaard worden. Het bericht komt om kwart over zes 's avonds dus er valt nauwelijks meer iets voor te bereiden. Dankzij de
overredingskracht van Bram Ouwehand valt er met de lokale kampcommandant nog iets te regelen: het vertrek mag tot de volgend morgen half negen worden uitgesteld. Ouwehand: “Toen hebben we een planning gemaakt. We hadden een platte wagen met een paard. Op die wagen hebben we alle waardevolle spullen gelegd. Toen hebben we gekeken welke dieren eventueel los mee konden: lama's, pony's, kamelen, vogels hebben we opgepakt en in kisten gezet.
Schapen en dat soort dieren gingen ook allemaal los.” Baars: “Alles wat er aan voedsel op het park was hebben we bij de dieren gebracht. Bij de olifanten en bij het nijlpaard; die we dus niet mee konden nemen. En alle andere dieren zijn ook gevoerd, want we zeiden; die laten we los, het park is toch dicht, maar als ze goed gevoerd zijn vechten ze niet onderling.” Ouwehand: “Op een gegeven ogenblik hebben we het hek opengezet richting Achterberg. En toen zijn we daar naar beneden gegaan met de hele handel.”

Wat er dan gebeurt laat zich raden: eenmaal in vrijheid schieten de dieren alle kanten op. Het kost Ouwehand, Baars en de paar helpers die ze hebben verzameld, verschrikkelijk veel moeite om in ieder geval een deel van de dieren bij elkaar te houden. De witte zeboe, de koeien, de lama's en de pony's kunnen met veel moeite weer bij de groep worden gehaald, maar de maneschapen zijn niet meer te achterhalen. Via Achterberg trekt de bonte stoet richting Veenendaal. Nog steeds hebben de mannen geen idee waar de tocht zal eindigen. Baars: “Ik geloof niet dat we beseft hebben dat het een gok zou zijn. We wilden weg, we moesten weg en we wilden de dieren meenemen. Nou dan zien we wel wat er gebeurt.”

In een wanhoopspoging springt Bram Ouwehand op z'n fiets op weg naar Veenendaal. Baars: "Van de kampcommandant in Veendaal kregen we regelmatig onze vergunningen. Dus is hij daar naar toe gegaan en heeft gezegd: nu ben ik met de dieren onderweg. Waar moet ik nu naar toe! Toen is er onderdak gevonden bij de Panter sigarenfabriek. Die was al bezet door de moffen. Er zaten al militairen en daar werden we bij ingekwartierd." In zijn oorlogsdagboek schrijft Baars: "Deze dag hebben we de volgende dieren kunnen redden: 2 lama's, 4 kamelen, 1 witte koe, 1 koe van de Jong, 3 kerrystieren, 5 schapen, 2 Karakulschapen, 15 kippen, 13 papegaaien, 1
geitje, 1 kalkoen, 1 gans, 2 waterbuffels, 1 paard plus 1 paard van de Jong, 4 ezels. Het geitje werd wegens oververmoeidheid bij burgers op de Kerkewijk ondergebracht."

Een paar dagen later gingen de mannen terug naar het dierenpark om te zien of er nog meer dieren konden worden gered. Er werd zelf een poging gegaan om de olifanten mee te nemen. Na veel pijn en moeite lukte het om de dieren tot aan de uitgang van het park krijgen. Maar bij de grote weg aangekomen gaat het mis. Baars: "Daar komt me toch een vrachtwagen aan zonder banden, dus op de velgen. Die rammelde zo hard dat die beesten schrokken. We hadden er een paar uur over gedaan om ze zover te krijgen, maar in een paar minuten waren ze weer terug. Toch hebben we ze weer vast kunnen pakken en hebben we nog een keer geprobeerd om ze mee te nemen. We komen weer op dezelfde plek op het voorplein. Op diezelfde plek draaien de beesten zich om en vliegen weer terug. Toen hebben we het opgeven en hebben de olifanten achter moeten laten."

Gelukkig kan nog wel een aantal andere dieren worden meegenomen. Ook een kar vol met voedsel voor de dieren wordt naar Veenendaal gereden. De sigarenfabriek is een welkom toevluchtsoord, maar zeker geen plek om voor langere tijd te blijven. De uitgehongerde Duitse militairen doen regelmatig pogingen om één van de dieren achter over te drukken. Vandaar dat nog steeds wordt gezocht naar een alternatief. Uiteindelijk komt Ouwehand Sr met een geschikte plek in Doorn. De boer die op landgoed 'Hijdepark' woont is bereid om de mannen met hun dieren onderdak te bieden. Op 1 maart begint dan de tweede uittocht. Ditmaal kan er een vrachtwagen worden geritseld om de dieren te vervoeren. De kamelen passen daar niet in. Daarom gingen Baars en een collega 's ochtends vroeg te voet naar Doorn. “We volgden het bospad naar Amerongen. Halverwege deze weg sloegen twee kamelen een zijpad in, doch vijf minuten later was het stel weer compleet en kon de tocht worden voortgezet. Zonder pech kwamen we in Doorn aan. De dieren waren moe en de drijvers doornat van de regen.”

De nieuwe locatie lag in de bossen verscholen en er waren prachtige weilanden waar de dieren heerlijk konden grazen. Een waar paradijs. Baars: “We hebben hier zelfs nog een paar jonge dieren gehad. Uiteindelijk had dit een mooie dierentuin kunnen zijn. Zoveel bos, zoveel mooie bomen. Dat was grandioos om daar een dierentuin van te maken.” Maar daar is het natuurlijk nooit van gekomen. Mei '45 geven de laatste Duitsers zich over. Een aantal weken later keren Bram Ouwehand, Joop Baars en de anderen -samen met alle dieren- terug naar hun vertrouwde stek op de Grebbeberg. Cor Ouwehand: “Het is spijtig, dat de opofferingen van de dappere verzorgers niet het resultaat hebben gehad, dat zij er van hadden verwacht; van de eens zo prachtige dierencollectie is maar een schamel restant over gebleven. Maar de oorlog is voorbij, wij zijn opnieuw aan de slag gegaan. De vulkaan, waarop wij jaren hebben geleefd, is nu voorgoed gedoofd en weer de mooie Grebbeberg geworden.”

Archieven

privé-archief A.Ouwehand
privé-archief J.Baars
archief Ouwehands Dierenpark

Geïnterviewden Bronnen
  • J. Baaars en A. Ouwehand
    J. Baars en A. Ouwehand
  • Ouwehands Dierenpark historie

    F. Engelsma, Ouwehands Dierenpark historie, in Ouwehand Zebranieuws 3 (1982) nr 1, p 2-5 

  • Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog

    L.de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.

  • Dieren op een vulkaan

    C.Ouwehand, 'Dieren op een vulkaan', in Het Vaderland spreekt tot de jeugd, red: J.Nieskens, A.Schreurs (Utrecht 1946) p 98-105

Vragen?

Heeft u vragen, ideeën of opmerkingen?

Neem dan contact op met de redactie: