↳ Enter om te zoeken
23 september 2003

Begin van de TV

televisie kijken
Bekijk Video
29 min

Achteraf gezien zou je zeggen dat het sneller had gekund, de invoering van televisie in Nederland. Al in 1884 ontdekte Paul Nipkov zijn beroemde draaiende schijf met lichtgaatjes, het fundament voor de mechanische televisie. Eind jaren twintig werden de eerste televisietoestellen gemaakt en vanaf 1935 waren er geregeld uitzendingen in Duitsland, Engeland en Amerika. Waarom duurde het dan tot 2 oktober 1951, voor de eerste Nederlandse televisie-uitzending de lucht in ging?

Experimenten en twijfels

‘De omroepen voelen er weinig voor’
Aan de techniek heeft het in ieder geval niet gelegen. Erik de Vries, de godfather van de Nederlandse televisie, was eind jaren twintig al druk aan het experimenteren in het Philips-laboratorium. De eerste beelden waren wat wazig en schokkerig, maar in de loop van de jaren dertig werd de kwaliteit steeds beter. Technisch gezien was Nederland voor de oorlog helemaal klaar voor televisie. Maar het probleem lag ergens anders: niemand zat te wachten op een duur, nieuw medium. Zeker de regering niet. Er was toch al radio, er was toch al film? Dat was toch ruim voldoende? Daarbij kwam de angst dat televisie zeer oppervlakkig en misschien zelfs wel schadelijk voor de gezondheid zou zijn.

Kortom, de regering zag geen reden om haast te maken. Ze stelde, in 1936, wel een televisiecommissie in, maar ze maakte vooralsnog geen aanstalten om een zender te beginnen. Eerst maar eens even rustig afwachten. Aanvankelijk stelde ook Philips zich vrij aarzelend op, omdat het nog onduidelijk was óf, en zo ja in welke vorm televisie populair zou worden. Er bestond nog geen standaard: er was mechanische televisie, elektrische televisie, maar ook een soort mini-thuisbioscoop, waar Philips heel wat van verwachtte. Het was de vraag welke van de drie de toekomst had.

De omroepen waren nog veel minder enthousiast over de toekomstmogelijkheden van televisie. Radio was meer dan voldoende; televisie leek alsnog nergens voor nodig. VARA-bestuurslid Lebon vatte het omroepstandpunt in 1937 kort en krachtig samen: ‘De omroepen voelen er weinig voor. Zij achten de televisie-experimenten een bodemloze put en willen dan ook slechts zoveel doen, dat de touwtjes in hun handen blijven’. Voor de zekerheid vroegen ze elk wel een zendvergunning aan – het was ook weer niet de bedoeling dat een van de anderen ermee vandoor zou gaan.

minister-president Drees

Na WOII: doorbraak van de tv

Philips Experimentele Televisie
Na de Tweede Wereldoorlog begon er het een en ander te veranderen op televisiegebied. Uit Amerika kwamen berichten dat het daar razendsnel ging met de doorbraak van televisie. Ook in Engeland kwam de verkoop van toestellen voor het eerst goed op gang. Nu kreeg Philips opeens haast. Philips-directeur Otten begon een intensieve lobby bij de regering, om zo snel mogelijk een nationale televisiezender te starten. Invoering van televisie in Nederland zou essentieel zijn om de productie van Philips te vergroten en dat zou weer goed zijn voor het hele land, in het kader van de wederopbouw. Er lag een enorme Europese markt voor televisietoestellen open. Daar zou Philips snel groot in kunnen worden, maar alleen overtuigend als televisie ook in eigen land een succes zou zijn. En daarvoor was allereerst de steun van de overheid nodig.

De overheid was echter nog steeds maar matig enthousiast. Dat kwam in belangrijke mate door de minister-president: de notoir zuinige Drees. In een tijd van wederopbouw, waarin er gebrek was aan alles, wilde hij de bevolking vooral niet aanzetten tot luxeaankopen. Bovendien had hij weinig vertrouwen in de inhoudelijke waarde van televisie. Aan de andere kant had Philips, als een van de grootste werkgevers in Nederland, wel een belangrijke stem in de kwestie. In 1948 bereikten de twee partijen een compromis: er kwam voorlopig geen nationale televisiezender, maar Philips mocht gaan experimenteren met een eigen zender in Eindhoven. Vanzelfsprekend geheel op eigen kosten. Nog hetzelfde jaar ging ‘Philips Experimentele Televisie’ van start.

Fred Knol

De eerste tv-omroeper

Fred Knol was 'telegeniek’
Fred Knol was het gezicht van de Eindhovense zender (samen met collega Bep Schäfer, overdag secretaresse bij Philips, ’s avonds omroepster). Ze kondigden om beurten de programma’s aan: zangers en zangeressen, bloemschikken, nieuwsberichten, kinderprogramma’s, speelfilms, een voetbalwedstrijd van PSV en zelfs af en toe reclame: het was de moderne televisie in een notendop. Knol nadert inmiddels de negentig, maar zijn omroepkostuum uit 1948 past nog perfect. Dat kocht hij van zijn ‘verzorgingsgeld’, de enige betaling die hij kreeg voor het omroepwerk. Verder bleef hij gewoon in dienst op de reclameafdeling van Philips, waar hij al werkte.

Knol vertelt: ‘Ik rolde erin. Ik had bij Radio Herrijzend Nederland omgeroepen. Dus men zei: jij hebt microfoonervaring, jij bent onze man. Maar je moet nog wel even kijken of je er ‘telegeniek’ uitkomt. En dat viel mee.’ Hij was zo ‘telegeniek’, dat hij in levende lijve nog wel eens kon tegenvallen. ‘Ik stond een keer op de markt in Eindhoven en daar stonden twee vrouwen naast mij. Die ene zegt tegen de andere: “Dat is ‘m”. “Nee, zegt de ander”. “Nou vraag het ‘m dan”. En ik ga wat rechtop staan. “Bent u….?” Ik zei trots: “Ja dat ben ik!” “Oh wat valt u dan tegen, ik dacht dat u veel langer was.”

Kijken bij de buren

Veertig televisietoestellen
Philips Experimentele Televisie begon met uitzenden voor zo’n veertig toestellen in en om Eindhoven. De meeste toestellen stonden bij topmannen van Philips thuis. Toch zagen veel meer dan veertig mensen de programma’s. Wie een toestel had nodigde al zijn vrienden en kennissen uit om het wonder te aanschouwen. Knol hoorde bij de gelukkigen, die direct vanaf het begin een televisie hadden. Lang heeft het geluk echter niet geduurd: ‘Mijn vrouw was het heel gauw beu. Want de kamer zat elke avond vol, met buren, kennissen, etc. En als het afgelopen was: iedereen naar huis en wij maar afwassen. Toen heeft ze ‘m teruggestuurd naar Philips.’

Wie niet bij vrienden kon kijken stond ‘s avonds voor de etalage van een radiohandelaar, die zijn televisie in de etalage aan had gezet. Met of zonder geluid, het maakte niet uit: het bewegende beeld, live, dat was een wonder. De echt handige jongens knutselden zelf een televisieontvanger in elkaar. Dat was misschien niet geheel legaal, maar het kwam Philips helemaal niet slecht uit. Knol: ‘Als paddestoelen kwamen ze uit de grond, een leger van hobbyisten. En dat heeft ons reuze geholpen.’ Het draagvlak voor televisie groeide zo namelijk gestaag en dat was precies wat Philips met zijn zender wilde bereiken. Heel bewust was dan ook gekozen voor de naam ‘Philips Experimentele Televisie’. Knol: Wij wilden natuurlijk geen frictie met Hilversum en wij wilden duidelijk stellen dat wij dat alleen maar in een basisperiode deden. Dat wij producent wilden worden, maar dat het ons er helemaal niet om ging een TV zender te stichten van Philips.’

Dominee Jan van Nieuwenhuijzen

Een dartelend luxepaardje

Economische bezwaren
Philips nodigde de omroepbazen uit om een uitzending in Eindhoven bij te wonen. Ze kwamen en keken in verwondering, maar waren niet overtuigd. Het bezwaar van Drees, dat dit geen tijd was voor luxe-investeringen, gold ook voor de omroepen. De KRO-gids schreef op 13 maart 1949 verontwaardigd: ‘Wanneer wij de Nederlandse Rijksbegroting zien, dan duizelen wij van de welhaast astronomische cijfers.’ ‘En daar komt nu opeens – terwijl tal van sociale en economische problemen om een oplossing schreeuwen – het luxepaardje “Televisie”vrolijk en dartel aangehuppeld, alsof ons land nog op een welvaartspeil staat van twee decennia terug en er in die tijd niets gebeurd is, dat ons thans dwingt tot soberheid, zuinig beheer en “de tanden op elkaar zetten” om er te komen.’

De weerstand tegen televisie bij de omroepen had echter niet alleen economische oorzaken. Dominee Jan van Nieuwenhuijzen, de eerste televisiedirecteur van de VPRO, geeft een aantal verklaringen: ‘Televisie werd beschouwd (evenals de radio in het begin) als een vermaaksmedium voor de minder ontwikkelden. En televisie had dat karakter, volgens degenen die daar over oordeelden, nog meer dan de radio, omdat het beeld voor eenvoudige mensen gemakkelijker was op te nemen. Daardoor zaten er ook zulke grote gevaren in, vooral het gevaar van allerlei zedenloze toestanden.’

Philips voedde zelf, onbedoeld, de angst voor de ontembare macht van de televisie. In een reclameboekje uit 1949 staat: ‘TV is niet tevreden met het halve oor, dat ge uw radio leent. TV is een aantrekkelijke, boeiende jongedame, die honderd procent van uw aandacht opeist. Ze is radicaal. Als ge eenmaal de knoppen van uw TV toestel hebt omgedraaid, en ge op uw wereldvenster een voetbalreportage, een toneeluitvoering, een cabaret of een spannende film ziet, dan praat ge niet verder met uw vriend. Dan laat ge uw krant rustig op tafel liggen, en als ge tot het zwakke geslacht behoort blijft uw breiwerk stil en verwaarloosd in het mandje liggen’ (uit: S. de Vrij en M. Deelen, Wat weet ik van televisie?). Dit had een uitspraak van Fred Polak kunnen zijn, de futuroloog die dreigend waarschuwde dat donkere televisiekamers onherroepelijk zouden leiden tot donkere hersenkamers.

Er werd eind jaren veertig in de kranten druk gediscussieerd over televisie, terwijl slechts enkelen daadwerkelijk een programma hadden gezien (bijna niemand had immers een toestel). Maar dat was geen bezwaar voor een kritische houding. Veel tegenstanders baseerden zich enkel op de berichten uit Amerika, terwijl ze nog nooit Amerikaanse televisie gezien hadden Fred Knol: ‘Men hoorde van Amerika dat daar de verkeerde richting al ingeslagen werd. Misdaad, seks, nog lang niet zoals nu natuurlijk. Maar daar waren toen al vele programma’s waar men hier, al of niet in gelovige kringen, met afgrijzen naar keek of luisterde.’

14193984

Oppervlakkig en schandalig

Christelijke bezwaren
Tevens waren er specifiek protestantse bezwaren tegen televisie. Van Nieuwenhuijzen: ‘Men heeft wel eens gezegd: de Nederlandse protestanten, dat is een volksdeel dat toegesproken wordt. Alles woord, woord, woord. Ik verklaar het daaruit dat men eenvoudig geen oog heeft gehad voor de mogelijkheden van het beeld.’ Bovendien was al snel duidelijk, dat televisie bij uitstek geschikt was voor het brengen van amusement. Ook dat strookte niet erg met de Nederlandse volksaard. Van Nieuwenhuijzen: ‘In de calvinistische ideologie is amusement eigenlijk verboden. Wij leven op deze wereld als op een aards tranendal. Je moet je plicht doen en werken tot Gods eer. Amusement hoort daar niet bij.’

Je zou verwachten dat de katholieken - meer op uiterlijk vertoon gericht, minder zwaar op de hand - positiever stonden ten opzichte van het fenomeen televisie. Het tegendeel was het geval. Pater Kors, voorzitter van de KRO, was een verklaard tegenstander van televisie. Radio zag hij als het middel bij uitstek om de katholieke boodschap te verkondigen, terwijl televisie die boodschap alleen maar kon vertroebelen. Manus Willemsen werkte jarenlang onder Kors als chef muziek van de KRO-radio. Hij vertelt dat Kors bij de BBC in Londen ging kijken, om met eigen ogen te zien wat televisie was. Toen hij terugkwam was hij vastberadener dan ooit om dit verschrikkelijke medium uit Hilversum te weren. Willemsen vroeg hem later, wat hij daar in Londen nu eigenlijk gezien had. ‘Hij zei: “rubbish!” Het was helemaal niks, het was oppervlakkig gedoe. Verder wilde hij er niet over praten.’

Willemsen noemt pater Kors ‘eigenlijk een enige man’, maar wel wat lastig in sommige opzichten. ‘Zo gauw het maar iets met seks te maken had, dan was het mis. Dat was het probleem bij televisie: het was vaak cabaret en toneel. Daar kwam altijd wel iets van een sekstoestand in, zij het dan oppervlakkig of diepgaand. Want toneelstukken gaan bijna altijd over een liefdestoestand. Daar had hij een soort aversie tegen.’ De arme Kors zou zich in zijn graf omdraaien als hij nu een dagje zou zappen. En niet alleen hij. Toen de VPRO eind jaren vijftig begon met het uitzenden van dansvoorstellingen (waarin wel eens een bloot damesbeen te zien was), kreeg de omroep woedende brieven over die schandalige ‘seksuele gymnastiek’.

Pater Kors en minister Cals

Nationale televisie

Een niet te stuiten natuurkracht
Uiteindelijk kon ook pater Kors het tij niet keren. Philips-directeur Otten zette de regering maximaal onder druk door publiekelijk te verklaren, dat Philips ten onder zou gaan als er niet snel een nationale televisiezender kwam (Parool, 24-4-1951). Intussen kondigde het ene na het andere Europese land zijn een eigen televisiezender aan.Vanaf 1950 was het niet meer de vraag óf, maar wanneer er een nationale televisiezender zou komen. Zoals minister Rutten van Onderwijs in 1951 zei: ‘Ondanks de bezwaren van culturele en sociale aard is voortzetting van het televisie-experiment nodig, aangezien men de televisie toch niet blijvend zal kunnen weren.’

Televisie was een natuurkracht: niet te stuiten. Toen dat besef ook doordrong bij de omroepen, kozen ze eieren voor hun geld. Willemsen: ‘Kors was natuurlijk wel zo slim, dat hij dacht: als wij het niet doen, dan gaan ze naar de VARA, of de AVRO en dan missen we natuurlijk de mogelijkheid om onze achterban vast te houden.’ Zonder achterban geen omroep, dus: ‘hij moest wel’. De omroepen gingen akkoord met een proefperiode van twee jaar, waarin zij de programma’s zouden maken (en bekostigen), de staat voor de zender zou zorgen en Philips overig materiaal en kennis zou aanleveren. Philips Experimentele Televisie werd opgeheven: haar taak was volbracht.

Op 2 oktober 1951 was de eerste uitzending van de Nederlandse Experimentele Televisie. Minister Cals (Onderwijs en Cultuur) en pater Kors openden samen de avond, ongemakkelijk gezeten in een gammele studio, met op de achtergrond een hangend tapijtje. Het enthousiasme droop er niet bepaald van af. Cals sprak ernstig: ‘Wij zullen ervoor moeten zorgen dat de techniek middel blijft en niet een doel wordt op zichzelf, anders zou het de dood van de cultuur betekenen.’ Kors voegde toe: ‘Het is een begin en een oefenperiode, dat wil zeggen dat men geen totaal geslaagde programma’s mag en moet verwachten. We leven ook in een zuinige periode, geen bronnen van inkomsten. Men heeft toch met dit pionierswerk willen beginnen, we vragen echter clementie van u kijkers.’ Zelf zou Kors de televisie nog jaren uit zijn huis weren. Alleen heel af en toe ging hij kijken bij een bevriende pastoor in Baarn. Stiekem.

Tekst en research: Laura van Hasselt
Regie: Matthijs Cats

Bronnen

BEELDEN
Van de eerste televisiejaren is bijna niets bewaard gebleven, omdat het in die tijd nog niet mogelijk was een live-uitzending op te nemen. De paar fragmenten die er nog zijn waren voor uitzending al op film opgenomen. Pas eind jaren vijftig raakte de telerecording, de voorloper van de video, in gebruik.

De fragmenten van Philips Experimentele Televisie (1948-1951) worden bewaard in het Omroepmuseum in Overveen. De overige fragmenten zijn afkomstig van het Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum. De foto’s komen uit het Philips-archief in Eindhoven.

Literatuur

Aanleiding voor deze reportage was het verschijnen van het boek van Leo Akkermans: 

- Televisie. Beginjaren van een nieuw beroep (Boom; Amsterdam 2003). Akkermans was zelf een van de eerste tv-regisseurs van de KRO.

Overige literatuur:

I.J. Blanken, Geschiedenis van Koninklijke Philips Electronics n.v. Deel V: Een industriële wereldfederatie (Europese Bibliotheek; Zaltbommel 2002).

W.J. de Gooijer, Beheersing van technologische vernieuwing. Een beschouwing over de beheersingsmogelijkheden van technologische innovaties met de invoering van televisie als voorbeeld van beleidsvorming (Samsom; Alphen a/d Rijn 1976).

J.W. Schot e.a. ed, Techniek in Nederland in de 20e eeuw, deel IV (Zutphen 2002).

F. Sierksma, Testbeeld. Essays over mens en televisie (Van Oorschot; Amsterdam 1963).

H. Wijfjes, Omroep in Nederland. Vijfenzeventig jaar medium en maatschappij, 1919-1994 (Waanders; Zwolle 1994).

Diverse artikelen in de Jaarboeken Mediageschiedenis: delen 2, 5 en 7.
Gedenkboeken van de verschillende omroepen.