↳ Enter om te zoeken
12 augustus 2003

De ondergang van de Junyo Maru

Andere Tijden, Junyo Maru
Bekijk Video
1 min
De opvarenden

September 1944: In de voormalige kazerne van het 10e infanterie bataljon van het KNIL (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger) in Batavia worden krijgsgevangenen van verschillende nationaliteiten en van verschillende legeronderdelen vastgehouden. Nieuwe gevangenen worden uit alle delen van de archipel verzameld en als zakken zand weer naar elders getransporteerd. Zonder dat ze te horen krijgen waar de reis naar toe gaat of wat hen daar te wachten staat.
In de nacht van 15 op 16 september bereidt een groep van 1600 gezond verklaarde mannen zich voor op een transport. Waar de reis naar toe gaat is ook nu weer onbekend. Het grootste deel van de groep bestaat uit leden van de vroegere Stadswacht van Batavia en gevangen genomen Engelse, Australische en Amerikaanse militairen. Daarnaast maken burgers en personeelsleden van de koopvaardij deel uit van de groep. Ook ruim driehonderd KNIL-militairen (Nederlanders, Ambonezen en Menadonezen) zijn door de Japanners geselecteerd. Willem Punt, matroos op de koopvaardij, is eveneens in de voormalige kazerne ondergebracht. Hij heeft al veel omzwervingen over de wereld gemaakt, werd in Indië overvallen door de Japanse invasie in maart 1942 en is min of meer bij toeval in het kamp beland. Punt heeft van de nood een deugd gemaakt en is tijdens zijn verblijf een studie begonnen voor stuurman. Hij herinnert zich nog goed hoe de Japanners bepaalden of je wel of niet geschikt was om op transport gesteld te worden: ‘De Japanners voerden medische keuringen uit. Dat betekende dat iedereen met een pisangblad met zijn ontlasting erop langs moest lopen om goedgekeurd te worden voor transport. Dan werd op basis daarvan vastgesteld of je dysenterie had, of niet.’
Op vrijdagmorgen 15 september loopt de groep krijgsgevangenen naar het treinstation van Senen. Ze moeten de trein in die ze naar de haven van Batavia zal vervoeren, naar Tandjong Priok. Eenmaal in de haven zien de krijgsgevangen een groot schip liggen. Het is een roestbak en lijkt geen naam te hebben. Op de schoorsteen zijn vaag wat letters te zien, maar veel valt er niet van te maken. De aanwezige Japanners jagen de groepen naar de boot toe. De krijgsgevangen zien dat een grote groep Javaanse dwangarbeiders de ruimen van het vooronder worden ingedreven, het blijken 4200 werksoldaten te zijn, die aangeduid worden met de naam ‘romoesja’s’.
De Nederlandse krijgsgevangene Willem Punt ziet het allemaal aan en zegt tegen zijn vriend Leen Sloot: ‘We moeten langzaam lopen want dan komen we waarschijnlijk op het dek terecht in plaats van in het ruim.’ Het lukt Willem Punt inderdaad om als een van de laatsten aan boord te komen en hij zoekt een plaats op het dek waar het een beetje uit te houden is. De zon staat inmiddels hoog aan de hemel en de passagiers op het dek zitten in de verzengende hitte. In de ruimen is het vol en benauwd. De Japanners hebben tussenruimen gebouwd, wat betekent dat de passagiers een zeer kleine plaats hebben waar ze kunnen zitten of liggen. Staan is er in het ruim niet bij. In totaal zitten er bij vertrek 1100 Nederlandse, ongeveer 1100 Britse en Amerikaanse krijgsgevangenen en 4200 Javaanse contractarbeiders aan boord. Daarnaast vermoedelijk 100 Japanners die de reis begeleiden.

Route van de Junyo Maru

Aan boord van het schip

Erbarmelijke omstandigheden

Op zaterdag 16 september 1944 om 15.00 vertrekt de Junyo Maru vanuit de haven van Batavia, Tandjoeng Priok in noordwestelijke richting. De Japanners hebben nog steeds niet verteld waar de reis naar toe gaat. De opvarenden zien dat het schip in zeer slechte staat is; overal roest en achterstallig onderhoud. Er is nooit schoongemaakt en er zijn vele sporen van cement en koolstof van vorige reizen. Water voor de opvarenden om zich te wassen is er niet. Een zoetwatertank op het dek is bestemd voor drinkwater voor de Japanners.
Aan dek wordt geschreeuwd dat er gerouleerd moet worden. Willem Punt ziet dat niet zo zitten en biedt zich als hulp aan bij de latrines. Dit zijn houten kistjes die buiten boord hangen en waar mensen op moeten gaan staan om hun behoeften te doen. Willem Punt: ‘Als ik tegen mijn vriend Leen Sloot zeg: kom, we gaan bij de latrines helpen, zegt Leen dat hij geen zin heeft om de juffrouw van de retirade uit te hangen.’ Leen zoekt een plek elders aan dek. Het is smerig werk bij de latrines want Punt moet de mensen helpen op de houten plankjes te gaan staan. Al gauw zit hij onder de uitwerpselen. Het deert hem niet, want zo heeft hij wat te doen. Hij hoeft zijn plek niet te verlaten en kan bovendien gewoon aan dek blijven. De rij wachtenden voor de latrines is lang; vanuit het ruim klimmen veel mensen omhoog die last hebben van dysenterie (buikloop). De hitte en viezigheid in het ruim dragen niet bij aan de gezondheid van de mannen.

Het is steeds ondraaglijk heet aan boord van het schip, maar laat in de middag van zondag 17 september, als de Westkust van Sumatra al in zicht is, wordt het weer slecht. De opvarenden hebben het koud en zitten verkleumd bij elkaar. De volgende dag is het weer heel anders. Al vroeg in de ochtend is het ontzettend heet en al gauw sterven verschillende opvarenden, de belangrijkste reden hiervoor is uitputting. Ze worden zonder ceremonie over boord gezet.
Maandagmiddag 18 september om negen voor vier, doet een zware explosie het hele schip schudden. Willem Punt: ‘De torpedo sloeg midscheeps in. Ik werd door de klap van de latrines weggeschoven en belandde ergens midden op het schip’ Delen van het schip vliegen de lucht in. Het is doodstil op het schip; iedereen lijkt zijn adem in te houden. Om paniek te voorkomen roept de Japanse kapitein van het schip door de luidsprekers dat de motoren zijn uitgevallen. Maar na enkele ogenblikken wordt het schip voor de tweede keer getroffen. Aan de stuurboordkant. Willem Punt ziet dat een truck die vlak bij de latrines aan de reling was vastgezet is losgekomen en tegen de reling aan is geschoven; precies op de plek waar hij enkele ogenblikken daarvoor nog mensen stond te helpen. Op die plek zijn andere krijgsgevangenen door de vrachtwagen geplet. In de ruimen klimt iedereen over elkaar heen. Iedereen wil zo snel mogelijk aan dek komen. Een groot aantal mannen springt onmiddellijk het water maar toch blijft het nog tamelijk rustig aan boord. Veel opvarenden realiseren zich waarschijnlijk niet dat het schip zinkende is. Willem Punt kijkt eerst eens goed om zich heen. Aan stuurboordzijde kun je beter niet in het water springen, realiseert hij zich, want dan word je onmiddellijk weer, via het gat in de romp, het schip ingezogen. Op verschillende plekken worden vlotten overboord gegooid. Dus ook daar moet je oppassen; voor je het weet heb je een vlot op je hoofd.
Alex Bloem, een andere overlevende van de ramp, weet na de tweede explosie zeker dat het schip beschoten is en staat aan dek te kijken naar de mensen die her en der over boord springen. Hij twijfelt. Want hij kan niet zwemmen en weet niet wat er gebeurt als hij de Indische Oceaan in springt. Dan hoort Bloem een stem achter zich die zegt: ‘Toe maar, spring maar. Het komt wel goed.’
Bloem weet niet waar die stem vandaan komt maar hij wordt helemaal rustig en laat zich bij de latrines in het water zakken. Eenmaal in de zee vindt hij een grote houten kist waar hij zich aan vastklampt. Al gauw voegen andere drenkelingen zich bij hem.
Willem Punt is ook de zee ingesprongen en houdt zich vast aan een houten plank. Als hij om zich heen kijkt ziet hij zeer veel drenkelingen maar nog meer mensen op het schip. Het zijn voornamelijk de romoesja’s die aan boord blijven. De meesten kunnen niet zwemmen en klampen zich vast.
Als de steven van het schip omhoog komt en de rest in zee begint te verdwijnen breekt er paniek uit. Als trossen hangen de mensen aan het schip; bij honderden vallen ze in de zee. Het duurt twintig minuten voor het hele schip in zee verdwenen is. Overal roepen mensen om hulp en om hun moeder. Ook horen ze: ‘Toeloeng Nippon’ (Japanners, Help!)
Uiteindelijk verdwijnt de Junyo Maru met donderend geraas in de golven, vijftien kilometer ten westen van Bengkulu voor de westkust van het Indonesische eiland Sumatra.
De drenkelingen in zee kijken om zich heen. Bloem: ‘Ik zag allemaal mensen die voorover gebogen in het water lagen. Dood. Verder dreef er van alles om ons heen. Planken, hout, touwen etc.’ Sommige drenkelingen maken een vlot van spullen die ze opvissen uit de zee, anderen vinden een baal sisal waar ze zich aan vast kunnen klampen.

Kapitein Maydon

De onderzeeboot

HMS Tradewind

Terug naar die maandag 18 september, enige uren eerder. Kapitein S.L.C Maydon van de Britse onderzeeboot HMS Tradewind krijgt van officier van de wacht P.C. Daley bericht dat hij door de ‘low power’ periscoop een sliert rook aan de horizon heeft gezien. De Tradewind is in januari 1944 toegevoegd aan de onderzeebootvloot van de geallieerden. De opdracht die de geallieerden hebben gekregen is om Japanse vrachtschepen te vernietigen die zorgen voor de bevoorrading van Indonesië.
In november 1942 heeft het Internationale Rode Kruis er bij Japan op aangedrongen de Conventie van Genève na te komen. Wat betekent dat Japan zich zou moeten houden aan bepaalde voorschriften over bijvoorbeeld de wijze waarop men dient om te gaan met de krijgsgevangenen. Bij vervoer van krijgsgevangenen moet een rood kruis zichtbaar zijn op het schip opdat de geallieerden weten dat ze dat schip beter met rust kunnen laten. De Japanners lappen die internationale afspraak echter aan hun laars.
Kapitein Maydon bekijkt de waarneming van officier van de wacht Daley en besluit de koers te wijzigen. Maydon geeft de opdracht vier torpedo’s af te vuren. Omdat de high power periscoop van de Tradewind defect is, moet de onderzeeër dichter naar de Junyo Maru toe varen. Maar te dicht bij kan hij ook niet komen, omdat de Junyo Maru geëscorteerd wordt door twee Japanse korvetten.
Vier torpedo’s treffen doel. Een behoorlijk resultaat, gezien de omstandigheden. De zoon van kapitein Maydon, Robert, zelf ook oud-marineman, zegt als we hem hiernaar vragen: ‘Het was een mooi stukje zeemanschap.’

W. Punt
<br/>

Redding

Japanse korvetten

Een half uur nadat het schip gezonken is komt een van de begeleidende korvetten terug om overlevenden op te pikken. Dat gebeurt maar mondjesmaat. Veel drenkelingen moeten zich maar zien te redden op de zee.
Willem Punt ziet de zoetwatertank van de Junyo Maru in het water drijven. Daar zitten al veel mensen op. Als de Japanners die ook nog in de zee drijven de tank in het vizier krijgen besluiten ze deze in te nemen. De krijgsgevangenen worden er door de gewapende Japanners afgejaagd en ook Willem Punt zoekt naar een andere manier om zich drijvend te houden. Sommigen drijven 48 uur lang in het water voordat ze worden opgepikt door een Japans korvet. Als Willem Punt aan boord van het schip komt, is hij meteen belast met het wakker houden van de andere drenkelingen. Zodra je in slaap valt of te verzwakt bent, gooien de Jappen je overboord. Ze willen namelijk alleen gezonde dwangarbeiders. Ook Alex Bloem wordt meegenomen door een Japans korvet en allen worden naar Padang gebracht en vastgezet in de lokale gevangenis.
Hoeveel mensen er precies aan boord van Junyo Maru hebben gezeten is niet bekend omdat de Japanners dat niet goed hadden geregistreerd. Naast de bemanning en de Japanners zaten er naar schatting 2300 tot 2500 Nederlandse, Britse, Amerikaanse en Australische krijgsgevangenen en ongeveer 4200 Javaanse contractarbeiders. De bedoeling was dat deze mensen allemaal zouden worden ingezet voor de aanleg van de 220 kilometer lange Sumatra-spoorlijn tussen Pakan Baroe en Muare.
Het aantal slachtoffers moet worden geschat op 5620 mensen. Dat zou betekenen dat ongeveer 880 mensen levend de zee uit zijn gekomen. Maar veel van de overlevenden kwamen alsnog om tijdens de aanleg van de spoorlijn. Van de ongeveer 100 Nederlanders die de Junyo Maru scheepsramp overleefden stierven er tijdens de aanleg van de spoorlijn vermoedelijk nog eens tien. Over het lot van de Javanen is veel minder bekend. Vast staat dat het merendeel niet kon zwemmen, als ze al uit het schip konden komen. Velen verdronken, vermoedelijk zijn er hooguit 200 levend uit de Junyo Maru gekomen.

E.A. Bloem

Pakan Baroe

Werken aan de spoorlijn

De goedkoopste manier van transport voor de Japanners was het vervoer van de krijgsgevangenen en de romoesja’s over zee. De eerste transporten dateren van augustus 1942. De gevangenen werden niet alleen niet alleen in Nederlands-Indië te werk gesteld maar kwamen ook in Japan terecht om in de oorlogsindustrie te werken.
In april 1943 komen de eerste romoesja’s aan om aan de Pakan Baroe spoorlijn te werken. Ze hadden de belofte gekregen dat ze voor het werk betaald werden, maar in feite werkten ze als slaven. De omstandigheden waarin de krijgsgevangenen leefden waren al erbarmelijk maar die van de slaven waren nog een stuk slechter. Medische zorg was er niet en de zieken en stervenden werden aan hun lot overgelaten. Hoeveel romoesja’s er moeten zijn geweest is onbekend omdat de Japanners dat niet bijhielden en na de capitulatie werden gegevens die er wel waren vernietigd.Vermoedelijk zijn het er 30.000 geweest waarvan op 15 augustus 1945 nog ongeveer 5000 man in leven. Dat betekent dat rond de tachtig procent van deze contractarbeiders of slaven het niet heeft overleefd. In totaal zijn 6607 krijgsgevangenen bestemd voor de aanleg van de Pakan Baroespoorlijn. In totaal zijn daarvan 2346 mensen omgekomen. Dat betekent dat ruim 35% van de totale inzet van de krijgsgevangenen is omgekomen.
De krijgsgevangenen kregen weliswaar een iets betere behandeling dan de romoesja’s maar een menswaardig bestaan hadden ze niet. De aanleg van de Pakan Baroe spoorlijn was klaar op de dag dat Japan capituleerde. Op dat moment werd de laatste schroef in de spoorlijn gedraaid. De spoorlijn is echter nooit in gebruik genomen.

R. Maydon, zoon van kapitein Maydon van de Tradewind

Na de oorlog

De werkelijke toedracht

Kapitein Maydon was op het moment van de beschieting niet op de hoogte van de vracht die het Japanse schip vervoerde. Pas jaren na de oorlog hoorde hij de werkelijke toedracht van de ramp. In de Verenigde Staten was een Amerikaanse dwangarbeider (Stan Gorsky), na de oorlog gaan uitzoeken wat er nu precies gebeurd was op 18 september 1944. Zijn speurtocht leidde tot een briefwisseling met kapitein Maydon van de Tradewind. Maydon, nieuwsgierig geworden door de belangstelling, had allerlei vragen. Stan Gorsky durfde hem echter niet te vertellen wat hij de afgelopen jaren te weten was gekomen en hij besloot met een paar andere betrokkenen van de ramp bijeen te komen. In 1968 namen drie mannen (een opvarende van de Britse onderzeeboot de HMS Tradewind, een krijgsgevangene van de Pakan Baroe spoorlijn en een Amerikaanse legerofficier) op een bandrecorder een gesprek op over de ramp waarin ze vertelden hoeveel mensen er omgekomen waren. Toen kapitein Maydon de band thuis kreeg was zoon Robert Maydon thuis. Samen luisterden ze naar de tape. Robert was geschokt en ook zijn vader was onder de indruk. Maar eigenlijk ging hij volgens zijn zoon vrij snel over tot de orde van de dag. ‘Mijn vader was van een andere generatie. Over de oorlog sprak je niet. En voor hem gold dat het aantal slachtoffers dat hij had gemaakt nu opeens een stuk hoger was geworden. Maar, zo zei hij, daar kan ik nu toch niets meer aan veranderen.’

Tekst en research: Yfke Nijland
Regie: Ad van Liempt

Bronnen

 

Stichting Icodo, Utrecht


NIOD, Amsterdam
Museon, Den Haag
Museum Bronbeek, Arnhem

ARCHIEFMATERIAAL
RVD Filmarchief
Imperial War Museum
Instituut voor Maritieme Historie, Den Haag
Royal Navy Submarine Museum Gosport
Bristol Evening Post

Literatuur

Fuchs, F.F.E. von, ‘De torpedering der “652”. Een ooggetuigeverslag’ (Batavia 1946).

Hovinga, H., ‘Eindstation Pakan Baroe, 1943-1945, Dodenspoorweg door het oerwoud’ (Blaricum 1996).

Melis, E., ‘Eresaluut boven massagraf, Junyo Maru de -vergeten- scheepsramp’ (Nijmegen 1985).

Neumann, H. en E. van Witsen, ‘De Sumatra Spoorweg’ (Amsterdam 1984).