Meer verdieping op het gebied van geschiedenis? Kijk op NPOFocus.nl
↳ Enter om te zoeken
30 juli 2002

De Ajam-affaire

Dhr. Jannink bekijkt de in beslag genomen koppen
Bekijk Video
1 min

De filmploeg vroeg een Papoeastam ook nog even het koppensnellen na te spelen. Het leidde tot een ongekend drama, tientallen doden en een flinke doofpot.

Still uit Report from Netherlands Nuw Guinea

De belofte van onafhankelijkheid

De nieuwe burgers van Nederland

Eindelijk is het dan zover: in 1949 wordt Indonesië onafhankelijk van Nederland. Ons kleine landje is echter zo gedesillusioneerd over het verlies van Nederlands-Indië, dat zij een vorm van ‘genoegdoening’ eist als voorwaarde voor de onafhankelijkheid: in de onderhandelingen wordt bedongen dat het eiland Nieuw-Guinea voorlopig onder Nederlands bestuur blijft. Maar als het aan de jonge president Soekarno ligt, mag er geen stúkje grond van het oude Indië meer in Nederlandse handen blijven. Gedurende dertien jaar vecht hij het eigendomsrecht over Nieuw-Guinea aan.
Tot het moment dat zij afstand moet doen van Nederlands-Indië heeft Nederland zich nauwelijks iets gelegen laten liggen aan Nieuw-Guinea: een ondoordringbaar grondgebied dat nauwelijks te exploiteren is met een zevenhonderdduizend-koppige Papoeabevolking die nog ‘in het stenen tijdperk’ heet te leven. Maar om de wereld ervan te overtuigen dat zij meer recht heeft op het bezit van Nieuw-Guinea dan Indonesië, gaat Nederland zich er op toeleggen om de Papoea’s in een ommezien te ‘beschaven’. Er wordt een offensief gestart om de Papoeabevolking, waarvan een groot deel nog nauwelijks of nooit een blanke heeft ontmoet of met westers gedachtegoed in aanraking is geweest, om te vormen naar westers model.
Deden missie en zending al langer voorzichtige pogingen om het immense oerwoud en de zielen van de Papoea’s binnen te dringen, vanaf 1952 treedt een jonge garde enthousiaste Nederlandse bestuursambtenaren in hun voetsporen. Zij worden vergezeld van mariniers, administratief personeel, doktoren, verpleegsters, leraren en onderwijzeressen, een enkele ondernemer, en een kleine stoet avonturiers die het gezapige Nederland van de jaren vijftig probeert te ontvluchten. Aanvankelijk richt men zich op de kustgebieden, waar de lokale bevolking al veelvuldig in aanraking is gekomen met invloeden van buitenaf. Vanuit de kustgebieden zal men langzaam maar zeker uitwaaieren naar de binnenlanden, om kilometer voor kilometer en letterlijk stapvoets het immense eiland, twaalf maal zo groot als Nederland en bedekt door woeste gebergten, kolkende rivieren, ondoordringbare jungles en onoverzienbare moerasgebieden, te exploreren en te ontginnen. Zij maken zich op om de vaak zeer geïsoleerd levende Papoeastammen te kerstenen en pacificeren, met als uiteindelijk doel de belofte van onafhankelijkheid.

Still uit Report from Netherlands Nuw Guinea

De Asmat

Een andere wereld

Begin 1954 is de Asmat aan de beurt, een uitgestrekt moerasgebied ter grootte van Nederland aan de zuidkust van Nieuw-Guinea. Deze modderdelta wordt gevormd door de eindloop van talloze rivieren die vanuit de noordelijker gelegen bergketens uitlopen naar zee.
De Asmat is het leefgebied van verschillende Papoeastammen. Het dagelijks leven is er weinig comfortabel. De bevolking leeft van wat de oerbossen haar aanbiedt. Geklopte sago uit de sagopalmen, sagolarven, insecten, kleine amfibieën, vis en kreeft vormen belangrijke voedingsbronnen, maar het is tijdrovend werk om voldoende voedsel voor de gemeenschap te verzamelen. Zoogdieren komen nauwelijks voor in het gebied. Een klein soort tamme varkens is het enige dier dat gefokt wordt, maar deze zijn schaars en er wordt zuinig mee omgesprongen. Vervoer vindt voornamelijk plaats met prauwen, uitgeholde boomstammen. De mensen hebben weinig remedies tegen ziekten als malaria, framboesia en huidaandoeningen. Gebruiksvoorwerpen worden vervaardigd uit natuurlijke materialen als hout, bamboe en steen; voor kleding en versiering worden riet en dierlijke producten uit de omgeving gebruikt: bont van de couscous (een klein soort buideldier), veren, tanden, botten, schelpen. Maar ondanks de karige middelen van bestaan kenmerkt de Asmatter zich over het algemeen door een vrolijke, spontane en open geest.
De overeenkomst tussen de cultuur van de Asmatters en die der Nederlanders is vrijwel nihil. De Asmatters begrijpen nog minder van de Nederlanders dan de Nederlanders van de Asmatters. De stammen ontvangen de blanke indringers met argwaan, maar toch ook met nieuwsgierigheid. Zij zijn onder de indruk van de rijkdommen en vele handige gebruiksvoorwerpen die de Nederlanders hebben en willen graag leren hoe zij deze zelf kunnen verwerven. Dat maakt enige mate van contact tussen de beide tegenpolen mogelijk.
Tot het moment dat een filmploeg in dienst van de Nederlandse overheid de regio betreedt, heeft het Nederlandse bestuur zich in het gebied voornamelijk gericht op het leggen van de eerste contacten met de plaatselijke bevolking langs de uitgestrekte kuststrook en rivieroevers en in de moeilijker toegankelijke binnengebieden. De Papoeastammen in de zuidelijke regio van Nieuw-Guinea staan bekend om hun in christelijke ogen zeer onbegrijpelijke rituelen en gebruiken. Bovenaan het lijstje ongerijmdheden staan koppensnellen en kannibalisme. Het Nederlandse bestuur stelt zich in het ontoegankelijke gebied als belangrijkste taak om deze twee rituelen uit te bannen. Maar dat is een bijna onmogelijke opgave, want het snellen van mensenhoofden en bij sommige stammen het opeten van de lichamen is verweven in het gehele gedachtengoed. Onder andere de huwelijkstradities staan op het spel, want volgens de Asmatse ‘adats’, de plaatselijke gewoonten en gebruiken, kan een jonge man niet eerder trouwen dan dat hij een kop heeft gesneld om zijn mannelijkheid te bewijzen aan zijn aanstaande.
Medische campagnes, zoals het inenten van hele dorpen tegen de gevreesde en veelvuldig voorkomende ziekte framboesia, zijn vaak een goede binnenkomer bij de bevolking. Het ruilen van bijlen en tabak voor verse eetwaren en kunstvoorwerpen, de belofte dat er te zijner tijd een schooltje in het dorp zal komen om te leren hoe de westerlingen aan hun rijkdom en welvaart komen, vormen voorzichtige verkenningen over en weer. Tijdens de patrouilletochten nemen de bestuursambtenaren tevens de koppen in beslag die zich in dorpen bevinden, vaak ongeacht of deze van voorouders of van gesnelde vijanden zijn, met de mededeling dat er onder het nieuwe bewind niet meer gesneld mag worden.
De Asmatters zijn over het algemeen zeer onwillig om hun schedels af te staan. Schedels van voorouders dienen vaak als hoofdkussen, hetgeen ongetwijfeld een gevoel van intimiteit en bescherming tijdens de nachtrust moet hebben gegeven. Schedels van vijanden hangen als trofeeën aan de zolderingen van de mannenhuizen. De schedels vertegenwoordigen de kracht van de stam en van de individuele mannen. Vermoedelijk heeft het bestuur nooit echt bedacht dat zij met de inbeslagname van de koppen ook symbolisch de stamleden hun krachten ontneemt, hetgeen de gezagsverhoudingen tussen de stamleden en de stammen onderling danig moet hebben ondermijnd. Voor de westerlingen is het gebruik van menselijke resten voor huishoudelijke en rituele doeleinden domweg onverteerbaar.

Fragment van een memo over de propagandafilm

Een propagandafilm

Voor de internationale reputatie van het land

Terwijl de Nederlanders, genesteld in palenhutten boven de uitgestrekte moerassen van zuidelijk Nieuw-Guinea, hun dagelijkse portie droge rijst en blikjes sardientjes in tomatensaus nuttigen, neemt ver buiten hun blikveld de stellingenoorlog tussen Nederland en Indonesië toe. Nederland krijgt het zwaar te verduren in de internationale discussie over het behoud van Nieuw-Guinea. Indonesië zet het onderwerp meerdere malen op de agenda van de Verenigde Naties en dreigt met militaire acties. De vele jonge staten die inmiddels zijn toegetreden tot de VN zijn het juk van hun koloniale verleden nog niet vergeten en scharen zich aan de zijde van Indonesië. De VN dringen aan op een vreedzame oplossing, maar laten duidelijk doorschemeren dat Indonesië de beste kaarten in handen heeft. Nederland ziet het met lede ogen aan. Zij gokt erop dat de VS, een van haar belangrijkste en meest invloedrijke bondgenoten, aan haar zijde zal blijven staan. Echt gerust is zij er echter niet op. Ook de Nederlandse ambassadeur in de VS voelt nattigheid. In een geheime memo aan Zijner Excellentie de Heer Minister van Buitenlandse Zaken schrijft hij op 20 juni 1955: “Nu het zich laat aanzien, dat Indonesië in de 10de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties wederom West-Nieuw-Guinea op het tapijt zal brengen, meen ik de vraag te moeten opwerpen of het gewenst dan wel noodzakelijk is de voorlichting van het Amerikaanse publiek over West-Nieuw-Guinea te intensiveren en zo ja, in welke mate.” Ook al is Nederland populair in Amerika, men is daar niet gecharmeerd van de koloniale bezittingen van de oude Europese machten. De ambassadeur raadt aan om een propagandafilm te maken voor het Amerikaanse publiek om te laten zien dat Nederland de inheemse bevolking niet onderdrukt en uitbuit, maar juist vooruithelpt. Hij drukt daarbij de Nederlandse overheid op het hart om flink uit te pakken: de Amerikanen zijn inmiddels gewend aan een hoge kwalitatieve standaard in hun filmvertoningen.
De smeekbede van de Nederlandse vertegenwoordiger in Amerika blijft niet onopgemerkt. De Rijks Voorlichtings Dienst wordt belast met de uitvoering van het plan. Al snel ligt er een draaiboek met instructies voor het maken van de film. Alhoewel de beelden zo natuurlijk mogelijk moeten zijn, waarschuwt de schrijver voor al te ongedwongen opnames: ‘Er moet op gelet worden dat al die personen die te zeer verminkt zijn door ziektes en dergelijke, niet in beeld komen. Tevens is het van het uiterste belang dat er geen personen in beeld komen, zelfs niet op de achtergrond, die al te duidelijk naakt zijn (of het nu om mannen of om vrouwen gaat). Dergelijke beelden zijn in de Verenigde Staten taboe voor vertoning op scholen of voor gemengd publiek.’

Pater Welling anno nu

Filmen in Ajam

Tegen beter weten in

In het voorjaar van 1956 strijkt de filmploeg neer in het zuiden van Nieuw-Guinea. Immers, wil men laten zien hoezeer de Nederlanders vooruitgang hebben geboekt, dan is het goed om de film te beginnen met de vroegere ‘onvoorstelbare primitiviteit van de bevolking’. En hoe kan die primitiviteit beter worden neergezet dan middels een ouderwetse koppensneltocht? Het gouvernement van Nieuw-Guinea zegt zijn medewerking toe, de filmploeg is welkom. Er vind overleg plaats: waar zullen de opnames het beste kunnen plaatsvinden? Het dorp Ajam, een klein eindje stroomopwaarts het binnenland in, lijkt een ideale locatie. Ajam is al enige tijd onder bestuurscontrole. Paters van de Tilburgse Missie van het Heilig Hart bivakkeren al jaren in de regio en het dorp Ajam kent de meeste katholieke dopelingen. Veel Ajammers lopen met kruisjes en rozenkransen rond. Maar de pater die op dat moment het dorp onder zijn hoede heeft, pater Welling, ageert heftig tegen het plan. Jarenlang zijn de paters bezig geweest de mensen uit te leggen dat het snellen van koppen en het eten van mensenvlees niet goed is. Met oneindig veel krachtsinspanning tourneren zij onophoudelijk door het gebied, spreken van vrede en naastenliefde, zitten urenlang, weken achtereen opgevouwen in wankele prauwen om de mensen te behoeden voor verval en barbarij. Terwijl in de meer afgelegen gebieden het koppensnellen nog niet is uitgebannen, beginnen zij dichter in de omgeving toch onmiskenbaar succesjes te boeken. De sfeer in Ajam, een van de grootste dorpen in de regio met zo’n 1200 bewoners, is al jarenlang stabiel. Koppensnellen en het eten van mensenvlees behoren tot het verleden. Maar pater Welling kent zijn pappenheimers. Ondanks de vele bekeerlingen leven ook hier de dorpelingen nog op gespannen voet met de nieuwe zeden en mores die de westerse cultuur en het christendom van hen verlangen. De pater waarschuwt het plaatselijke bestuur om toch vooral niet al te veel van de oude ‘adats’ op te rakelen. Als de mensen nu ertoe aangezet worden een koppensneltocht na te bootsen, wat moeten zij dan wel niet denken? Zij zullen oordelen dat het snellen van koppen weer geoorloofd is, dat het bestuur daar kennelijk juist prijs op stelt omdat zij het na moeten spelen voor toeschouwers, zo redeneert de pastoor. Wat weten de Asmatters van film af? Wat zeggen de Verenigde Naties of Verenigde Staten hen? De pastoor voorziet ernstige moeilijkheden als het bestuur zijn zin doordrijft. Maar die wimpelt de bezwaren van pater Welling af. De Ajammers zijn als een van de weinige dorpen al onder jarenlange bestuurscontrole. Volgens hen is de Ajammer voldoende vertrouwd met het idee van toneelspel om te kunnen begrijpen dat een geënsceneerde sneltocht geen ernst is. Ook filmmaker Denninghoff-Stelling is niet onder de indruk. Zijn argumentatie luidt dat als een snelpartij het gevolg zou zijn van de opnames, hij dat op de koop toe zou nemen, want een propagandafilm voor Amerika is op dat ogenblik veel en veel belangrijker. Het bestuur beslist dat de opnames in Ajam zullen plaatsvinden. En daarmee uit.

Dhr. B. van der Voort

Een snelpartij in scene

'Report from Netherlands New Guinea'

De jonge Administratief Ambtenaar Bert van der Voort, die in 1955 op de regionale bestuurspost Agats is aangekomen en voor zijn gevoel al maanden met zijn handen in zijn zakken op een modderige bestuurspost naar de opkomende en afzakkende getijden zit te staren, wordt naar het dorp Ajam gestuurd om de opnames voor te bereiden. In tegenstelling tot andere gebieden zijn prauwen van Asmatters over het algemeen beschilderd met verticale rood-witte banen. Dat geeft natuurlijk een mooi effect voor een kleurenfilm, en het is de bedoeling dat de Ajammers hun prauwen weer mooi in de verf zetten zodat ze op het filmdoek beter zullen uitkomen. Ook moeten er speren, pijlen en bogen bijgemaakt worden om alle mannen in beeld van wapens te kunnen voorzien. Maar Van der Voort kan de dorpelingen niet warm krijgen om de werkzaamheden te verrichten. Slechts het uitloven van een hoge premie brengt een paar dorpelingen in beweging: 1 lempeng tabak per prauw alleen al voor het verven! Sommige oudere dorpsbewoners gaan wat aan de slag met het vervaardigen van pijlen en versierselen zoals armbanden. Maar de meeste jongelingen weigeren aanvankelijk hun medewerking.
Als de filmploeg enkele dagen later arriveert, is er eigenlijk nog niks wezenlijks voorbereid. Maar de crewleden gaan voortvarend aan de slag. Om de snelpartij echt te laten lijken, zijn er voor de filmopnames uiteraard menselijke schedels nodig. Het bezit van mensenschedels is echter door het bestuur al enige tijd verboden verklaard en alle vindbare koppen in de regio zijn in beslag genomen. Op het verzoek koppen in te zamelen in het dorp ten behoeve van de filmopnames staan de Ajammers er hulpeloos bij. Niemand komt met een kop aanlopen. De dorpelingen worden aangemoedigd: echt, dit keer hoeven ze niet bang te zijn bestraft te worden als ze koppen laten zien, ze zullen er heus nog wel een aantal ergens verborgen houden. Maar beschaamd schudden de Ajammers het hoofd: alle koppen zijn al lang geleden in beslag genomen.
Geen nood, op de bestuurspost Agats liggen nog wel een aantal geconfisqueerde koppen uit andere dorpen. De filmploeg stuurt een prauw eropuit om de koppen bij de politie op te halen. De volgende morgen keert de prauw terug met de koppen. Het is echter zelfs voor een leek duidelijk aan de kleur van de schedels te zien dat dit oude koppen betreft en geen verse, pasgesnelde koppen. De koppen worden door de modder gewreven, maar dat levert geen bevredigend resultaat op. Tenslotte worden de schedels met hondenbloed en rode verf besmeurd. Verbijsterd kijken de Papoea’s toe bij dit bizarre schouwspel. En dan beginnen de opnames. Er wordt bij de Ajammers op aangedrongen voor deze ene keer alle westerse klederdracht af te leggen en zich weer uitsluitend te tooien in rieten rokjes en schaambedekkingen van schelpen en andere natuurproducten. Een vervallen gedeelte van de kampong verderop aan de rivier wordt in brand gestoken en gefilmd, de dorpelingen moeten joelend en met speren zwaaiend voor de camera heen en weer rennen. In andere beelden komen de mannen van Ajam in slagorde met hun prauwen naar het dorp varen, begroet door tientallen kindertjes die enthousiast het water inspringen. De mannen dragen schedels uit de prauwen de kant op. Op de filmbeelden is nog steeds te zien hoe prachtig wit de schedels zijn. Maar een kniesoor die daar op let. In de uiteindelijke, dertig minuten durende film ‘Report from Netherlands New Guinea’ neemt de nagebootste snelpartij slechts anderhalve minuut in beslag.

In beslag genomen koppen van de Ajam-affaire

Een oude rekening

Een echte snelpartij

Pater Welling heeft de komst van de filmploeg niet afgewacht. Hij is al weer meer dan een maand lang een van zijn bekende tournees door het gebied aan het maken. In het dorp Jipajer, een paar uur stroomopwaarts van Ajam verwijderd, koopt hij een prauw voor zijn catechist in Ajam. Op zijn verzoek zal een vijftal jongemannen uit Jipajer de prauw naar Ajam roeien. De mannen worden vergezeld van vrouwen en kinderen uit het dorp Jipajer die bij de bestuurspost Agats aan de monding van de rivier wat vruchten willen verkopen. Het bliksembezoek van de Nederlandse filmploeg in Ajam is dan net achter de rug. In Ajam aangekomen leveren de Jipajers de prauw af bij de catechist. Zij overnachten in het mannenhuis en in het huis van de catechist, om de volgende morgen de tocht naar de bestuurspost aan de kust te hervatten. Als het dorp Ajam al niet zo lang onder bestuurscontrole was geweest, hadden zij het misschien niet gewaagd de nacht daar door te brengen, want nog geen tien jaar daarvoor hadden dorpelingen van Jipajer een aantal mannen van Ajam overvallen en gesneld. Dat soort dingen worden niet snel vergeten in het Asmatgebied. Maar Ajam wordt inmiddels bewoond door twee hulpjes van de pater (zogenaamde catechisten, van Papoease afkomst) en de Nederlandse pater Welling bouwt er zijn huis. Ook twee Amerikaanse zendelingen zijn net in die periode aan de periferie van het dorp neergestreken.
De Jipajers worden gastvrij ontvangen door de Ajammers. Maar die nacht stoken de dorpelingen van Ajam elkaar op om hun logees een kopje kleiner te maken. Terwijl hun gasten van een goede nachtrust genieten, sluipen mannen en vrouwen door het dorp. De in scène gezette sneltocht enkele weken daarvoor heeft hun bloed weer sneller door de aderen doen jagen. Ze voelen zich beschaamd dat ze geen koppen meer hadden, maar dat deze nota bene van de bestuurspost gehaald moesten worden. De vrouwen lachen de mannen uit. Het besluit wordt snel genomen. Terwijl de gasten zich die ochtend klaarmaken voor vertrek, worden zij overvallen en doodgestoken. De hoofden worden afgesneden, de vrouwen stromen toe om de lichamen in stukken te snijden en de porties eerlijk te verdelen. De twee catechisten en de Amerikaanse zendelingen worden ongemoeid gelaten. Terwijl de dorpelingen zich tegoed doen aan de lichamen, zien de catechisten kans het dorp ongemerkt te verlaten om alarm te slaan op de bestuurspost te Agats. Daar zijn inmiddels net de feestelijkheden afgerond ter viering van Koninginnedag. Het is 30 april 1956.

Voormalig bestuursambtenaar Jannink met zijn filmmateriaal

De afwikkeling

Om causale verbanden te vermijden

Als de twee catechisten in de bestuurspost Agats aankomen, treffen zij daar onder andere bestuursambtenaar Van der Voort aan en een zeer vermoeide pater Welling, die net aan het uitrusten is van zijn tournee door de regio. Totaal overstuur vertellen de twee Papoeamannen hun verhaal. De pastoor pakt onmiddellijk zijn spullen en reist per prauw af naar Ajam in een poging te redden wat er te redden valt. Het Hoofd Plaatselijk Bestuur stelt een radiotelegram op voor de resident van Zuid-Nieuw-Guinea. Als antwoord op dit bericht komt de resident onverwijld naar de bestuurspost Agats om poolshoogte te nemen. Dat is vrij ongebruikelijk, aangezien er in de binnengebieden wel vaker sneltochten plaatsvinden zonder dat zijn persoon hierbij wordt ingeschakeld. De resident realiseert zich ongetwijfeld hoe pijnlijk de zaak kan uitpakken als het verhaal in de openbaarheid zal komen. Ajam is immers het paradepaardje van de regio. Het bestuur zit ermee in zijn maag dat de filmploeg in dienst van de RVD zo kort daarvoor nog maar in het dorp een sneltocht heeft geënsceneerd. De suggestie van het Hoofd Plaatselijk Bestuur dat een onvoorzichtige catechist de oorzaak is van alle ellende, komt goed uit. De resident stelt op 3 mei de gouverneur van Nieuw-Guinea op de hoogte. Deze bericht op zijn beurt op 4 mei in een confidentieel telegram het Ministerie van Overzeese Rijksdelen in Nederland over de affaire. Hij schrijft daarin onder andere: “Het bezoek is niet anders dan een stommiteit van de catechist. Een ongelukkige coïncidentie is dat in Ajam een paar weken geleden filmopnamen werden gemaakt door Denninghoff Stelling, waarvan de missie voorspelde dat dit zou uitlopen op moord. Het is echter duidelijk dat dit geval niets hiermede te maken heeft. Bij een voorafgaand bezoek aan Ajam per Catalina heeft de resident zich ervan overtuigd dat men de bedoeling van de filmopnamen begreep. Vele inwoners van Ajam hebben gewerkt in Sorong en zijn vertrouwd met het begrip spel, hetgeen bij zijn bezoek duidelijk bleek, waarbij een schijnaanval werd gedemonstreerd.” Toch is het bestuur blijkbaar niet helemaal zeker van zijn zaak, want het telegram wordt besloten met de woorden: “Ik moge u verzoeken press release uit te geven en mij telegrafisch te berichten, aangezien het niet mogelijk is de zaak geheim te houden, waarin 2 Amerikaanse zendelingen en een pastoor ooggetuigen zijn. In het press release ware geen melding te maken van mogelijk verband met de filmopnamen van Denninghoff Stelling.” De Ajam-affaire zelf kan onmogelijk in de doorpot gestopt worden, maar een causaal verband met de aanwezigheid van de filmploeg moet absoluut vermeden worden.

De landingsdivisie van de strafexpeditie

Represaillemaatregelen

Negenentwintig doden, negenentwintig arrestanten

Het feit dat juist het ‘geciviliseerde’ dorp Ajam weer naar oude praktijken heeft teruggegrepen, overvalt het Nederlandse bestuur danig. Het moet nu voor het eerst maar eens echt menens zijn met het bestraffen van koppensnellerij en kannibalisme. Er worden voorbereidingen getroffen voor een strafexpeditie. Het marinefregat Hr.Ms. Jan van Brakel wordt opgeroepen om onverwijld naar Ajam op te stomen.
Half mei vaart de Hr.Ms. Jan van Brakel de Oetoemboewerivier op. Nog nooit eerder is zo’n groot schip de binnenwateren opgestoomd. Bij het dorp Ajam aangekomen gaat een landingsdivisie van boord. Het zijn geen getrainde mariniers die in de sloep stappen, maar een aantal Papoea-politieagenten vergezeld van de normale bemanning van de Hr.Ms.Jan van Brakel die bij kleine akkefietjes wordt ingezet om de wal op te gaan. Om te voorkomen dat de schuldigen er vandoor gaan, verzint de resident een list. Hij belooft de dorpelingen dat hen geen haar gekrenkt zal worden als alle mannen uit de oerbossen tevoorschijn komen. Aldus geschiedt. Schoorvoetend komen van alle kanten mensen aangelopen.
De jongens van de landingsdivisie krijgen opdracht het dorp te omsingelen en de dorpelingen bij elkaar te drijven. Vervolgens zullen de mannen ondervraagd worden om te achterhalen wie zich schuldig heeft gemaakt aan het doden van de negenentwintig Jipajers. Er zijn negenentwintig mensen omgebracht, dus het bestuur wil negenentwintig mensen arresteren.
Het kost het twintigtal zwaarbewapende jongens van de marine en de Papoea-politie weinig moeite om aan hun opdracht te voldoen. Waarschijnlijk blijven de dorpelingen die het meest schuldig zijn, in de oerbossen ondergedoken. De rest laat zich gewillig bijeen drijven. Uiteindelijk worden er negenentwintig mannen geselecteerd en als gevangenen aan boord van het grote schip gebracht. De gesnelde koppen worden in beslag genomen en in een jute zak opgeborgen. Omdat de arrestanten toch enigszins willekeurig zijn uitgekozen, wordt er nog een laatste strafmaatregel genomen om alle twaalfhonderd stamleden duidelijk te maken dat in feite iedereen schuldig is. Als alle jongens weer aan boord zijn, wordt vanaf de Van Brakel met klein geschut een poging gedaan een van de grote mannenhutten in brand te steken. Dat mislukt echter jammerlijk, want de brandprojectielen gaan dwars door de rieten wanden en daken heen en richten nauwelijks schade aan. Wederom gaat een groepje jongens met de sloep naar de wal. Zij overgieten de mannenhut met brandstof en steken de fik er in. Al snel laait het vuur hoog op. De Hr.Ms. Jan van Brakel zet de terugtocht in, met de negenentwintig gevangenen geboeid op het achterdek gezeten, beschut tegen de zon door een sloep die boven hen in de davids hangt.
Bij aankomst in de bestuurspost Agats worden de arrestanten veroordeeld tot straffen variërend van een tot drie jaar. Zij brengen hun nachten door in een simpele gevangenishut van riet en bladeren. Overdag worden zij aan het werk gezet in het plaatselijke houtexportbedrijf, waar zij voor betaald worden. Na drie jaar keren zij beladen met rijkdommen als zonnebrillen en kleurige shirts huiswaarts. In het dorp worden zij als helden ontvangen.

Tekst en reportage: Annegriet Wietsma
Research: Rogier Smeele

Bronnen

BEELDMATERIAAL:
Film:
- “Report from Netherlands New Guinee”. Propagandafilm voor de Engelstalige wereld over Nieuw-Guinea, 1956, RVD (NAA-archief)
- Amateurbeelden van dhr. E. Jannink (privebezit)
- Amateurbeelden van de resident Boendermaker (privébezit)
Foto’s:
- privébezit van dhr. Van der Voort, dhr. Thooft en dhr. H. van Hoof, dhr. G. Elkerbout, dhr. S. van der Helm, pater Welling en dhr. J. Veenema

ARCHIEFMATERIAAL:
- Directional memorandum for filmcoverage of Netherlands New Guinee. (Algemeen Rijksarchief Den Haag)
- Brief van de administratief ambtenaar H.J. van der Voort gericht aan de administratief ambtenaar E. Jannink betreffende de snelpartij in de Asmat. (Privébezit)
- Ontvangen codebericht van de gouverneur van Nieuw-Guinea aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken, d.d. 4 mei 1956. (Algemeen Rijksarchief Den Haag)
- Vertrouwelijk bericht aangaande “moeilijkheden in Asmat gebied” van de resident afdeling zuid Nieuw-Guinea aan de gouverneur Van Baal.

Literatuur

- Anthony van Kampen, Wijkende wildernis. Onder kannibalen en Christen-Papoea's (Amsterdam 1956)
- Pim Schoorl, Besturen in Nederlands-Nieuw-Guinea. Ontwikkelingswerk in een periode van politieke onrust (Leiden 1996)
- Martien Blondel, Wij zijn mensen. Roman uit Nieuw-Guinea (Leiden 1959)