Meer verdieping op het gebied van geschiedenis? Kijk op NPOFocus.nl
↳ Enter om te zoeken
21 december 2000

Woonwagenbewoners

woonwagens
Bekijk Video
1 min

Waarom wonen in een woonwagen

De keuze voor een wagen als woonvorm is in het verleden door praktische motieven ingegeven. Er zijn altijd mensen geweest die door het land zwierven. Voor een gedeelte zijn dat handelsreizigers, stoelenmatters, ketellappers, kermisreizigers, op zoek naar nieuwe afzetgebieden en klanten. Daarnaast trekken er groepen losse arbeiders naar de plekken waar brood valt te verdienen. Ze werken, vaak als landbouwknechten, dan weer hier en dan weer daar.
In de negentiende eeuw trekken de zogenaamde ‘reizigers’ of ‘zwervers’ nog van hotel naar logement of van schuur naar hooiberg. Pas halverwege de eeuw komen er wagens zodat het gezin en de inboedel mee kan. In een volkstelling van 1889 worden nog slechts 93 woonwagens geteld. Dat zijn meestal platte karren met een zeil er overheen. In de jaren daarna neemt het aantal snel toe. De wagens ontwikkelen zich geleidelijk via huifkarren tot de vorm die de meeste Nederlanders kennen van Pipo de Clown: een eenvoudige houten wagen met een trapje ervoor.

De overheid en 'zigeuners'

Rondtrekkende Nederlanders hebben nooit in een goed daglicht gestaan. Voor de overheid is het een groep waar weinig vat op is te krijgen. Mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats, zonder vast werk of inkomen. Hoe moet je ze registreren, waar moet je ze indelen?
In 1918 wordt in de Wet op Woonwagens en Woonschepen voor het eerst een poging gedaan om het ongeregelde leven in banen te leiden. Er worden eisen gesteld aan de omvang en de kwaliteit van de wagen. Op grond hiervan krijgen de eigenaren een vergunning. Met het vergunningenstelsel hoopt de overheid het aantal wagens terug te dringen. Het beleid heeft echter niet het gewenste effect.
Tussen de beide wereldoorlogen blijft de groep woonwagenbewoners groeien. De wil om de zaak ‘netjes’ te regelen in de wet, geeft de reizigers ongewild juist steun in de rug. Elke gemeente is verplicht een terrein aan te wijzen waar de wagens mogen staan. Daarnaast mag een gezin op iedere willekeurige plek maximaal 48 uur verblijven. De reizigers kunnen met de wet in de hand een standplaats opeisen. Hoewel gemeentes vaak de meest onooglijke plekken aanwijzen als ‘woonwagenkamp’ en mensen alsnog proberen te verjagen, is er sprake van een redelijke vrijheid.

“Mijn moeder was een zigeuner, ik voel me ook een zigeuner en ik ben er trots op”, zegt mevrouw Verspaget in de film. Zigeuners voelen zich een aparte groep onder de reizigers en worden door de buitenwereld ook zo gezien. In feite is de groep heel divers van samenstelling. In Nederland wordt de term ‘zigeuners’ voor het eerst in 1868 gebruikt voor groepjes Hongaarse ketellappers en Bosnische berenleiders die door West Europa trekken. Later vallen ook Scandinavische, Duitse en Franse paardenhandelaren onder de term. In de jaren ’30 krijgen muzikanten en artiesten uit Belgie, Frankrijk en Duitsland, die al jaren door Nederland trekken en nooit eerder als ‘zigeuners’ zijn aangeduid, opeens ook dit etiket. In de jaren ’60 worden zij samen met de paardenhandelaren de Nederlandse zigeuners genoemd. De Oost Europese zigeuners die zich in die jaren in Nederland vestigen, heten voortaan de buitenlandse zigeuners. Het begrip ‘zigeuner’ is daarmee in de loop van de geschiedenis voor de overheid rekbaar gebleken.

De Zigeunercentrale

In de Tweede Wereldoorlog is de grens tussen zigeuners en niet-zigeuners van levensbelang. De zigeuners worden door de Duitsers opgepakt en op transport gezet Voor woonwagenbewoners zijn de maatregelen minder drastisch. In het Westen van het land moeten de wagens en de paarden bij de Duitsers worden ingeleverd en verblijft de bevolking gedwongen in huizen. In het Oosten concentreren de Duitsers de woonwagenbewoners in regionale kampen.
De weg voor de vervolging van de zigeuners is geplaveid door de Nederlandse kolonel F. van der Minne (Administrateur voor de Grensbewaking en Vreemdelingendienst). Hij beschouwt in de jaren ’20 en ’30 zigeuners per definitie als ongewenste buitenlanders. Onder zijn leiding wordt een systeem opgezet om alle Nederlandse zigeuners te registreren, de zogenaamde Zigeunercentrale. Daarmee wordt het een koud kunstje voor de Nederlandse politie om in 1944 in opdracht van de Duitsers zigeuners op te pakken. Uit Nederland verdwijnen 211 zigeuners. Slechts 31 van hen keren na de oorlog terug.

Het concentratiebeleid

Na de meidagen van 1945 wordt het reizende leven, zo goed en zo kwaad als dat gaat, weer voortgezet.
Veel woonwagenbewoners moeten van voren af aan beginnen; de wagens en de paarden zijn weg. Sommigen grijpen korte tijd terug op de levenswijze uit de negentiende eeuw. Ze overnachten in boerenschuren, timmeren primitieve karren, slepen zelf (bij gebrek aan trekdieren) met het gezin de wagen. De bevolking overleeft met alle methodes die ook voor de oorlog in zwang waren: handel, scharen slijpen, stoelen matten, kermisattracties, straatmuziek, korte klussen bij boeren, werkzaamheden in de industrie of in de wegenbouw, en bedelen. Rinus van Wanrooy vertelt hoe hij als klein jongetje in de jaren ‘50 met een marmotje langs de huizen ging: “Juffrouw, wilt u mijn marmotje zien…”. Nog steeds hebben de meeste gemeentes een kleine doortrekplaats. ’s Zomers trekken de gezinnen door de regio. In de winter staan de wagens op grote kampen bij elkaar. Improvisatietalent, hard werken (ook vaak door de kinderen) en mobiliteit zorgen in de meeste gezinnen voor eten op de plank en nieuwe wagens.

Eind jaren ’60 komt er een definitief einde aan het trekken. Het Ministerie van Maatschappelijk Werk heeft zich al vanaf het begin van de jaren ’50 gebogen over het lot van de woonwagenbewoners. Het idee om de wagens te concentreren in grote regionale kampen met voldoende voorzieningen krijgt steeds meer aanhang. Op die manier hoopt de overheid de verheffing en de integratie van de woonwagenbewoners te bevorderen. Vooruitlopend op het beleid worden er in de loop van de jaren ‘60 op diverse plekken grote kampen opgericht. In 1968 komt de nieuwe Woonwagenwet officieel tot stand. De wet behelst 50 regionale kampen met eigen scholen, artsen en welzijnswerkers. Alle kleine kampen worden opgeheven. Al snel wordt duidelijk dat dit nieuwe beleid geen onverdeeld succes is. De beoogde integratie wordt niet bereikt. Integendeel, de woonwagenbewoners vormen meer dan in het verleden een aparte groep, afgescheiden van de rest van de samenleving door hekken en een slagboom. Bovendien beperken de grote kampen de kans om als zelfstandige een inkomen te verwerven. In de jaren ’70 en ’80 worden de woonwagenbewoners vrijwel collectief afhankelijk van een uitkering.

Stofzuigers

Inmiddels is het concentratiebeleid weer teruggedraaid. Ook vanwege de enorme toename van de criminaliteit zijn de regionale kampen opgeheven. De bewoners zijn verspreid over kleine kampjes. Het is de zoveelste stap in de permanente poging van de overheid om de woonwagenbewoners in het gareel te krijgen en de integratie te bevorderen. Reizen kunnen ze al lang niet meer. Dat doet pijn. Vooral omdat reizen en werken vroeger zo nauw met elkaar waren verbonden. “Wij waren altijd de stofzuiger van de samenleving. Alles wat andere mensen lieten liggen (werk, schroot, appels) pikten wij op”, zeggen verschillende woonwagenbewoners. Er is blijkbaar geen behoefte meer aan stofzuigers.

Literatuur

Annemarie Cottaar, ‘Kooplui, kermisklanten en andere woonwagenbewoner. Groepsvorming en beleid 1870 – 1945’. Amsterdam, 1996
Annemarie Cottaar, Leo Lucassen, Wim Willems, ‘Mensen van de reis. Woonwagenbewoners en zigeuners in Nederland 1868 – 1995’. Zwolle, 1995.
Sjaak Khonraad, ‘Woonwagenbewoners. Burgers in de risicomatschappij’. Utrecht, 2000.
Frederika Brummer, ‘Frederika. Het leven van een woonwagengeneratie tussen 1900 en 1945’. Amsterdam, 1984.

Vragen?

Heeft u vragen, ideeën of opmerkingen?

Neem dan contact op met de redactie: