↳ Enter om te zoeken
De originele "streep van Mark Sykes", getekend op 9 mei 1916. A = Frans - B = Brits

Irak en Syrië maakten eeuwenlang deel uit van het Ottomaanse Rijk. Dit wereldrijk strekte zich uit van Marokko in het westen tot Irak in het oosten. De volkeren die binnen het rijk leefden, deden dat vrij autonoom en in relatieve rust.

Er heerste een zekere mate van godsdienstvrijheid, en zolang andersdenkenden maar netjes hun ‘geloofsbelasting’ betaalden aan de Turkse overheerser, was er weinig aan de hand. Christenen, Joden, alevieten, sjiieten en soennieten: ze waren vaak geen dikke vrienden van elkaar, maar onder de Ottomaanse overheersing leefden ze wel eeuwenlang in vrede naast en met elkaar. Totdat de Eerste Wereldoorlog uitbrak.

Het verval van het Ottomaanse Rijk (bron: clas.ufl.edu)

Het Ottomaans Rijk en de Eerste Wereldoorlog

Het Ottomaanse Rijk koos in oktober 1914 partij voor Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. De Ottomaanse autoriteiten kampten echter met oppositie in eigen gelederen. Met name de Arabisch-nationalistische aspiraties van lokale machthebbers binnen het Ottomaanse Rijk baarden de machthebbers in Istanbul grote zorgen.

Groot-Brittannië trachtte van de interne tegenstellingen van het Ottomaanse Rijk gebruik te maken. Het Britse Hoge Commissariaat in Caïro zocht in het geheim contacten met Arabische nationalistische bewegingen en andere potentiële tegenstanders van het regime in Istanbul. Onder andere via de als geheim agent opererende Thomas Edward Lawrence (beroemd geworden als Lawrence of Arabia) legde de Britse Hoge Commissaris in Caïro, sir Henry MacMahon, contact met de sjarief van Mekka, Hussein ibn Ali.

Als”beschermheer van de Heilige Plaatsen” (Mekka en Medina) genot hij groot gezag in de islamitische wereld. In het geheim onderhield hij contacten met Arabische nationalisten in Damascus. In een uitvoerige briefwisseling kwam hij met het Britse bestuur in Caïro overeen een gezamenlijke actie tegen de Turken te ondernemen.

De sjarief zou met zijn bedoeïenen in opstand komen tegen de sultan en vanuit het Arabisch schiereiland in samenwerking met een Brits-Frans expeditiekorps de Turken aanvallen. In ruil daarvoor beloofde de Britse regering, na een eventuele Turkse nederlaag, de vorming van een onafhankelijke staat onder gezag van de sjarief in alle overwegend door Arabieren bewoonde delen van het Ottomaanse Rijk.

Op 5 juni 1916 begon de opstand. Als eerste werden de Turkse garnizoenen in Mekka en Medina uitgeschakeld waarna de Arabische opmars in noordelijke richting trok. Het woestijnlegioen, onder bevel van Husseins zoon emir Faisal, boekte snelle voortgang. De diverse stammen werden door Faisal verenigd onder een gemeenschappelijk Arabisch onafhankelijkheidsideaal.

De Britse troepen verspreidden een oproep van sjarief Hussein, waarin deze de bevolking opriep zich tegen het Turkse gezag te keren om daarmee de Arabische onafhankelijkheid te realiseren. Na Gaza, Hebron en Bethlehem viel op 9 december 1917 Jeruzalem in handen van de Britten. De bevolking haalden ze als bevrijders binnen. Op 30 oktober 1918 tekende de Turkse sultan Mehmet V te Mudros een wapenstilstand, die het einde van de oorlogshandelingen betekende en de Turkse nederlaag bezegelde.

Sir Mark Sykes, ca. 1918 (foto: Wikipedia)
Sir Mark Sykes, ca. 1918

De Sykes -Picot overeenkomst

Achter de schermen gebeurde intussen ook van alles. Zo voerden in maart 1916 in het diepste geheim diplomaten van Groot-Brittannië (Sir Mark Sykes), Frankrijk (George Picot) en Rusland (Sergei Sazonov) overleg. Zij kwamen geheel in de traditie van het negentiende-eeuwse “Concert van Europa” een verdeling overeen van het na-oorlogse Midden-Oosten in Europese invloedsferen. Daarbij werden zowel de Russische wensen met betrekking tot de Bosporus en de Kaukasus als de Britse en Franse intenties in het Midden-Oosten gehonoreerd.

Frankrijk claimde op basis van historische banden invloed in Syrië en Libanon, terwijl de regering in Londen graag een verbinding tussen Egypte en India tot stand wilde brengen. Voor Palestina ging de overeenkomst uit van een internationaal bestuur.

De verdeling van het Midden-Oosten tussen een Franse en Britse invloedsfeer voltrok zich uiteindelijk op de simpelst denkbare wijze. Sykes en Picot hadden geen tijd, en hoogstwaarschijnlijk ook weinig zin, om bij de verdeling van de regio rekening te houden met culturele en religieuze achtergronden van de aldaar levende bevolking. Centraal stonden koloniale belangen en toegang tot de beste oliebronnen. Sykes wist dan ook precies wat hij wilde.

Hij keek op de kaart van het Midden-Oosten, en trok vervolgens met een pen en liniaal een kaarsrechte lijn van Acre (het huidige Akko in noord-Israël) naar Kirkuk in noord-Irak. Het gebied ten noorden van de lijn zou voor Frankrijk zijn, het gebied ten zuiden voor Groot-Brittannië.

Op de Conferentie van San Remo eind april 1920 kreeg Groot-Brittannië daadwerkelijk officieel het mandaat over Mesopotamië (het huidige Irak) en het Mandaatgebied Palestina (het hedendaagse Jordanië en Israël) toegewezen, terwijl Frankrijk het Mandaatgebied Syrië (het huidige Syrië en Libanon) verkreeg. De Volkenbond bevestigde de beslissingen van deze conferentie op 24 juli 1922. Egypte werd in datzelfde jaar in naam onafhankelijk, maar de Britten hielden ook hier een stevige vinger in de pap.

De Sykes-Picot-overeenkomst, die op 16 mei 1916 in een geheim document was overeengekomen, was overduidelijk in tegenspraak met de eerdere Britse belofte aan de sjarief van Mekka aangaande de Arabische onafhankelijkheid. Die belofte was via een omweg in de openbaarheid gekomen, aangezien de Russische bolsjewieken na de Oktoberrevolutie van 1917 de archieven van de kanselarij in Sint-Petersburg openbaar hadden gemaakt waarbij ook een afschrift van de Sykes-Picot-overeenkomst bekend was geworden. Het document was terstond door de Ottomaanse regering gepubliceerd als bewijs van de onbetrouwbaarheid van de Britse regering.

Arthur James Balfour en zijn verklaring
Arthur James Balfour en zijn verklaring

De Balfour-verklaring

Omstreeks dezelfde tijd plaatste de regering in Londen de sjarief van Mekka voor een voldongen feit. De Britse minister van Buitenlandse Zaken sir Arthur Balfour vaardigde op 2 november 1917 een verklaring uit, die later vanwege de uiteenlopende interpretaties ervan tot grote politieke problemen zou leiden. In een brief aan een leider van de Britse zionisten, lord Rothschild, verklaarde de Britse regering welwillend te staan tegenover de vestiging van een 'Joods nationaal tehuis' in Palestina. Balfour schreef:
‘De Britse regering staat welwillend tegenover de vestiging van een nationaal tehuis voor het Joodse volk in Palestina, en zal naar beste vermogen dit doel ondersteunen, waarbij het duidelijk moet zijn dat niets zal worden gedaan dat de burgerlijke en religieuze rechten van bestaande niet-Joodse gemeenschappen in Palestina kan schaden.’

Over de motieven van de Britse regering om tot de uitgifte van wat bekend werd als de Balfour-verklaring te komen is veel gespeculeerd. De steun van machtige Joodse bankierskringen aan de Britse oorlogsinspanningen, de “Jewish Vote” in de Verenigde Staten (de belangrijkste bondgenoot van Londen), het winnen van invloed en aanzien onder Joden in Duitsland, Oostenrijk en Rusland zijn in dit verband vaak genoemd.
Het meest aannemelijke lijkt de Britse overweging dat op deze wijze de imperiale ambities het beste konden worden gerealiseerd. De mogelijkheid werd immers geschapen om via Joodse vestigingen in Palestina (ten noorden van het Suezkanaal) blijvend Britse invloed te garanderen in het Midden-Oosten.

Credits
  • Marnix Koolhaas