↳ Enter om te zoeken
21 oktober 2017

Het Verborgen verleden van Paul Haenen

Paul Haenen in Verborgen Verleden
Bekijk Video
45 min

De verdwenen Goudstikkercollectie
De Joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker (1897-1940) heeft een goedlopende zaak aan de Herengracht en veel onroerend goed wanneer de Duitsers in 1940 Nederland binnenvallen. Samen met zijn Weense vrouw Dési von Halban en zoontje Edouard vlucht hij halsoverkop naar Amerika.

De 1200 schilderen en zijn vele panden laat hij zonder volmacht achter. Nog geen vier dagen na het vertrek komt Goudstikker om het leven na een val op het schip.

Ondertussen nemen in Amsterdam twee stafleden het bedrijf en het beheer over het vermogen over: procuratiehouder A. ten Broek en restaurateur J. Dik senior. J. Samen met zijn zoon J. Dik junior verkoopt Dik al snel na het vertrek de Lincoln Zephyr auto van Goudstikker en steekt het geld in eigen zak. Dik junior en senior verspreiden geruchten dat de zaak van Goudstikker in financiële problemen zit.

Ten Broek en Dik roepen een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen om de zaak te verkopen. Hiertoe zijn de twee stafleden niet bevoegd omdat zij geen aandelen in het bedrijf hebben en geen directeur zijn. Van de 600 aandelen, bezit Goudstikker zelf er 334, zijn moeder mevrouw Goudstikker 50 aandelen en de rest, 216, zijn ingekocht door de vennootschap. Dik en Ten Broek vertellen de oude en verwarde mevrouw Goudstikker dat de zaak slecht loopt en anders toch wel wordt overgenomen door de Duitsers. Mevrouw Goudstikker stemt in met de vergadering. 

Een vereiste van een derde is nodig om veranderingen door te voeren en de twee stafleden laten daarom de 216 ingekochte aandelen meetellen, hoewel dit niet mag. De Duitser Alois Miedl, een vriend van rijksmaarschalk Hermann Göring, vraagt Dik en Ten Broek het bedrijf en onroerend goed aan Miedl en Göring te verkopen. Weduwe-Goudstikker krijgt via een telegram de optie om de zaak te verkopen aan Göring, maar weigert dit.

Desalniettemin verkopen Ten Broek en Dik het bedrijf en het onroerend goed aan Miedl. Göring koopt de kunstcollectie op voor een schamele twee miljoen gulden. Nog tot jaren na de oorlog zal de vrouw van Ten Broek de bontjassen van de weduwe van Goudstikker dragen.

30 april 1986

Weduwe-Goudstikker over de oplichting, NOS

Weduwe-Goudstikker
Bekijk Video
2 min

De geallieerden vinden de Goudstikkercollectie na de oorlog terug in Duitsland. De schilderijen komen terug in Nederland onder beheer van de Stichting Nederlands Kunstbezit. De familie Goudstikker heeft tot 1 juli 1951 de kans om de schilderijen terug te eisen door een verzoek in te dienen bij de Raad van het Rechtsherstel.

Weduwe Dési von Halban kan de overheid er niet van overtuigen recht te hebben op de kunstcollectie. Op advies van haar juristen eist zij enkel het onroerend goed terug, en de kunstcollectie blijft in handen van de Nederlandse staat.

Na de dood van weduwe Dési von Halban in 1996 spant haar schoondochter een rechtszaak aan tegen de Nederlandse staat. Hierbij eist ze alsnog de aan Göring verkochte kunstwerken op. In eerste instantie wordt deze zaak in 2001 verworpen.  De claim op de kunstwerken is immers niet voor 1951 gedaan.

In 2001 oordeelt de Commissie-Ekkart dat de afhandeling van de restitutieverzoeken te bureaucratisch en ongevoelig is verlopen. De restitutiecommissie die daarop wordt ingesteld adviseert in 2005 de Nederlandse staat om de werken terug te geven. Hoewel de regering het niet met het oordeel eens is geven zij in 2006 202 van de 1200 kunstwerken terug op ‘morele gronden’.

De jacht op de sodomieten
Homoseksualiteit is al terug te vinden bij de oude Grieken en Romeinen. In de oudheid is het gebruikelijk dat mannen of vrouwen van hetzelfde geslacht seks met elkaar hebben. Van een homoseksuele identiteit wordt tot in 1730 nog niet gesproken. Homoseksuelen worden sodomieten genoemd.

In de zeventiende eeuw spreken mannen steeds vaker af op afgezonderde plekken, zo blijkt uit de politieregisters. Mannen, zowel jong als oud en rijk en arm, zoeken in die tijd bijvoorbeeld bij de Scheveningse Bosjes naar seksuele partners van hetzelfde geslacht.

In 1730 komen deze praktijken aan het licht als de koster van de Utrechtse Dom aan het gerecht vertelt dat hij mannen ziet rotzooien. Het probleem blijkt niet alleen een Utrechts probleem te zijn. Langzaam maar zeker wordt duidelijk dat er een landelijk netwerk van sodomieten is.

De kerk beargumenteert dat deze grootschalige vorm van sodomie een gevolg is van de voorspoedige jaren van de Republiek. De sodomieten zijn de schuldigen van alles wat mis er gaat in de republiek. Massaal vervolgt het gerecht de sodomieten, 300 in totaal. Ter afschrikking voor de rest vindt de bestraffing in de steden in het openbaar plaats.

23 december 1989

De historie van homoseksualiteit in Nederland, NOS

De historie van homoseksualiteit in Nederland, NOS
Bekijk Video
5 min

Een homoseksueel kan niet fluiten
Met de invoering van het Burgerlijk Wetboek door Napoleon in 1811 is homoseksualiteit niet langer strafbaar, maar worden homoseksuelen nog wel op andere gronden vervolgd. Bijvoorbeeld op grond van reputatie.

In de negentiende eeuw ontwikkelt de wetenschap zich en bekommeren medici zich om het probleem met de sodomieten. Pas in de negentiende eeuw zijn het de doktoren die de term homoseksueel introduceren en ontstaat het idee dat zij de homoseksuelen kunnen genezen. Met vragenlijsten testen zij of er zoiets bestaat als een homoseksuele identiteit.

Aan de mogelijke patiënten vragen de doctoren of zij kunnen fluiten en of zij vaak logen. Homo’s kunnen namelijk niet fluiten en zouden meer liegen en roddelen, typisch vrouwelijke kenmerken. In de negentiende eeuw ontstaat dan ook het idee dat homoseksuele mannen vrouwelijke trekjes hebben.

28 april 2012

Andere tijden: De genezen homo

Genezen homo
Bekijk Video
30 min

De Zedelijkheidswet van 1911 stelt homoseksualiteit weer strafbaar voor homoseksuele contacten van iemand van 21 jaar of ouder met iemand jonger dan 21 jaar. Voor heteroseksueel contact houdt de wet een minimumleeftijd van 16 aan. Pas in de jaren 1960 wordt de wet ter discussie gesteld, na een hoogtepunt van vervolgingen in de jaren vijftig.

Zes regenten en de binnenvader van het Oude Zijds Huiszittenhuis te Amsterdam, 1675, Pieter van Anraedt, 1675
Zes regenten en de binnenvader van het Oude Zijds Huiszittenhuis te Amsterdam, 1675, Pieter van Anraedt. © Publiek Domein

Een huis voor de huiszittende armen
Arme mensen die niet in een tehuis wonen kunnen al sinds de Middeleeuwen bij de zogenaamde huiszittenhuizen terecht. Van hieruit regelt de kerk de bedeling en verstrekt turf en voedsel. Vanaf de zeventiende eeuw neemt het stadsbestuur het bestuur van deze huiszittenhuizen over.

Het stadsbestuur stelt regenten, de huiszittenmeesters, aan die de verzorging van de huiszittende armen op zich nemen.  

Met name in de wintermaanden, van Kerstmis tot Pasen, registreren veel armen zich bij het huiszittenhuis. Tijdens deze maanden deelt het huiszittenhuis stookmiddelen, voedsel en extra kleding uit. In de zomer is vaak enkel voedsel nodig.

In 1808 besluiten de regenten van het huiszittenhuis in Leiden om naast de bedeling de ingeschreven armen ook te voorzien van een pokkenvaccinatie.

De gemeente draait voor het grootste deel op voor de kosten van het huiszittenhuis. De kerkgemeenschap waartoe de huiszittende behoort draagt een klein steentje bij in de kosten. Op 9 november 1870 komt een einde aan de bedeling vanuit de Huiszittenhuizen door een aanpassing in de Armenwet.

Credits
  • Tess de Bruijn
Bronnen