Meer verdieping op het gebied van geschiedenis? Kijk op NPOFocus.nl
↳ Enter om te zoeken
7 april 2012

Andere tijden

Geweten in de oorlog
Bekijk Video
31 min

Correct gedrag

Wie aan oorlog denkt, denkt aan bommen en granaten, gewapende confrontaties, chaos en paniek, en gewonden en doden op straat. Maar dat is natuurlijk maar een momentopname. Voor het merendeel gaat het dagelijks leven in oorlogsgebieden gewoon door. En ook al spreken we altijd over ‘de Tweede Wereldoorlog 1940-1945’: in Nederland duurde de oorlog officieel maar 5 dagen, en daarna werd het een bezetting van 5 jaar.

Het eerste jaar van de Duitse bezetting bracht relatief weinig verschil in het leven van alledag. Hier en daar was zelfs een zekere opluchting te bespeuren: ook al was men anti-nazi en ook al betekende de bezetting een flinke emotionele dreun, de gevolgen leken mee te vallen. Henri de Meeuw, zelf Joods, kon zich herinneren: “De stemming onder ons was natuurlijk slecht, want de Duitsers waren vijanden voor ons. Maar in het eerste jaar gedroegen zij zich zeer correct. Bij ons was een Duitse officier ingekwartierd. Daar kon je gewoon een gesprek mee voeren.” 

Gekookte kikkers

In dit gevoel van ‘het valt wel mee’ komt pas verandering als de eerste anti-Joodse maatregelen geleidelijk worden ingevoerd. En dan nog duurt het een tijd voordat verbazing over de toenemende uitsluiting van de Joodse bevolking omslaat in gevoelens van ongemak en tenslotte verzet. Het is het verschijnsel van de gekookte kikker. Een kikker die in een pan kokend water wordt gegooid, weet niet hoe snel hij er uit moet springen. Maar een kikker die in een pan koud water langzaam gekookt wordt, zal blijven zitten tot hij dood is.

Doorwerken in de bezettingsjaren was uiteraard een volkomen normaal en onbesmet gegeven. Voor een bakker of een tandartsassistente was de keuze ook niet ingewikkeld. Zij konden zonder morele obstakels doorgaan met hun werk. Maar wat als je de ‘pech’ had om een beroep uit te oefenen waarin je gaandeweg de bezetting door de nazi’s werd ingezet bij de jodenvervolging, zoals een politieman, marechaussee of treinemployee? Had de koningin zelf vanuit Londen niet aan het begin van de bezetting opgeroepen ‘de orde te bewaren’? Zij wenste daarbij dat ‘alle departementen van algemeen bestuur, bestuur van provincies en gemeenten de bevoegdheden blijven volgen om de noodzakelijke voorzieningen in de behoeften van de bevolking te waarborgen.’ 

Arrestatie van een man wegens vermeende belediging van het nationaal-socialisme, 1942
Arrestatie van een man wegens vermeende belediging van het nationaal-socialisme, 1942

Een oogje dichtknijpen

 Ieder op zijn eigen manier probeerde de slachtoffers van de bezetting enigzins ter wille te zijn. Bijvoorbeeld, als politieagent, door een oogje dicht te knijpen als een zwarthandelaar met een verboden vrachtje betrapt werd of door een op handen zijnde razzia te laten uitlekken. Of door als marechaussee een andere kant op te kijken tijdens het bewaken van joodse kampbewoners in de hoop dat iemand de kans zou aangrijpen om te vluchten. Daarmee hadden ze in ieder geval voor zichzelf het gevoel dat ze hun best deden om mensen een kans te geven te ontkomen.

En wat te denken van Joodse burgers zelf, die aan deportatie konden ontkomen door een post te bekleden waarmee hun verblijf in Nederland veilig werd gesteld? Zij konden in deze banen ook medemensen helpen door te sjoemelen met papieren, of door, zoals in het geval van Henri de Meeuw, aan te dringen op het afgeven van arierverklaringen aan Joodse burgers die in Westerbork terecht waren gekomen, om hen zo te behoeden voor transport. Dat kon niet al te vaak, want dan zouden ze zelf door de mand vallen, maar het kon wel af en toe. De transportlijsten naar de ondergang (1000 per week) werden er niet korter door. Maar individuele lotgenoten konden zo wel (tijdelijk) gered worden.

Het afvoeren van arrestanten uit politiebureau Nieuwe Doelenstraat te Amsterdam, 1942
Het afvoeren van arrestanten uit politiebureau Nieuwe Doelenstraat te Amsterdam, 1942

Ik stond erbij en ik keek ernaar

 Het is opvallend hoe de geïnterviewden hun eigen rol minimaliseren. Het feit dat de aanwezigheid van henzelf in hun uniform al genoeg zou kunnen zijn om mensen in het gareel te houden, ontgaat hen daarbij. Cor, die als marechaussee in kamp Westerbork de bewaking moest uitvoeren: “Die ordehandhaving was een wassen neus. Want die joden hoefde je niet tot de orde te roepen, die waren allemaal netjes, eerlijk en lijdzaam. Dus daar had je geen werk mee.”

En Cees meent dat de Joodse familie die hij midden in de nacht van hun bed heeft moeten lichten om ze op transport te stellen, het hem niet kwalijk nam: “Die mensen waren heel aardig voor mij. Het was helemaal niet van ‘een agent die ons van huis gehaald heeft’. Want ik had er niets mee te maken, en dat wisten zij. [...] Ik stond er bij, en ik keer er naar. Met pijn in mijn hart.” En alle geïnterviewden leefden in de veronderstelling, dat zij zelf gevaar liepen als zij niet meewerkten. Werkweigering of ontslag waren niet zo gemakkelijk, de angst zelf daardoor in de problemen te komen was groot, en er was een gezin te onderhouden. Ook onbekendheid met het lot dat de op transport gestelden te wachten stond, maakte dat mensen deel bleven uitmaken van de keten.

Taboe

In de loop van 1943 bereiken verhalen over vernietingskampen en gaskamers ook Nederland. De geruchten zijn zo weerzinwekkend, dat eigenlijk niemand er met zijn verstand bij kan. Het zou zo maar een vreemd soort anti-propaganda kunnen zijn. Net zoals de Nazi’s beweerden dat Joden baby’s opaten, wat natuurlijk onzin was, zo zou dit ook best onzin kunnen zijn. Ze zeiden zo veel. Maar toch heerste de twijfel. Want wat gebeurde er dan precies met al die Joden die naar ‘werkkampen’ werden gestuurd, via Westerbork naar Polen, zonder eten, zonder drinken, zonder bagage? En moesten de baby’s in rieten mandjes en oudjes van 83 jaar daar dan ook gaan werken?

Die gedachte heerste wel. Maar de conclusies waren toch te ingewikkeld. En als het weten onvermijdelijk was, dan was het het beste om er niet te lang over na te denken. Klaas, spoorbeambte: “ [...] Als je er nu achteraf naar kijkt, dan lijkt het net of het een taboe geweest is voor de mensen. Je sprak er niet over. Je deed je werk en dan ging je naar huis.” 

Gruwelijk dilemma

Het is makkelijk te oordelen, nu 60 jaar later, ‘met de kennis van nu’. De mensen wisten niet of wilden niet weten. En wie wel wist, wilde de consequenties niet aanvaarden. Het gruwelijke dilemma waar zij in die jaren mee hebben geworsteld, heeft de meesten jarenlang achtervolgd. Wie nu de verhalen beluistert, zal denken: ‘jaja’. Maar het is oneindig veel moeilijker om te bedenken: ‘wat zou ik zelf hebben gedaan?’

Samenstelling & regie: Annegriet Wietsma
Tekst: Annegriet Wietsma
Interviews: Martijn van Haalen, Interakt 2004.

Uitzending: zo 1 apr 2012, 21.15 uur, Nederland 2. 

Onderdeel van het internationale onderzoeksproject ‘Witnesses, Collaborators and Perpetrators’ van het USHMM i.s.m de VU m.m.w. Nathan Beyrak, Anna Timmerman en Dienke Hondius. De interviews zijn gebruikt met toestemming van het United States Holocaust Memorial Museum, The Jeff and Toby Herr Oral Testimony Fund.

Geïnterviewden Bronnen
  • Klaas, spoorbeambte
    Klaas

    Spoorbeambte

  • Cornelis, politieagent
    Cornelis

    Politieagent

  • Henri, jurist
    Henri

    Jurist

  • Cees, marechaussee
    Cees

    Marechaussee

  • Wij weten niets van hun lot

    Bart van der Boom, Wij weten niets van hun lot: Gewone Nederlanders en de Holocaust.

    Lees meer

Vragen?

Heeft u vragen, ideeën of opmerkingen?

Neem dan contact op met de redactie: