Meer verdieping op het gebied van geschiedenis? Kijk op NPOFocus.nl
↳ Enter om te zoeken
6 december 2005

De laatste doodstraf

Andere Tijden Doodstraf home
Bekijk Video
28 min

De laatste doodstraf

Vroeg in de ochtend rijdt een klein busje voor. Een paar marechaussees stappen uit en verdwijnen de gevangenis in. Kort daarna komen ze weer naar buiten, tussen hen in een geboeide gevangene. Nog steeds in het halfdonker rijden ze naar de militaire schietbaan, midden in een verlaten duingebied. Eén of twee marechaussees binden de gevangene vast aan een paal. De anderen gaan vast tegenover hem staan; in totaal twaalf mannen met twaalf geladen geweren. Op het bevel van de districtscommandant vuren ze tegelijk af. Direct daarna controleert een arts of de man aan de paal daadwerkelijk dood is. Zo niet, dan krijgt hij een laatste genadeschot. De hele procedure hoeft nog geen tien minuten in beslag te nemen.

De doodstraf is in Nederland voor het laatst uitgevoerd op 21 maart 1952. Die dag stonden er twee oorlogsmisdadigers tegenover het vuurpeloton: de Duitser Wilhelm Artur Albrecht en de Nederlander Andries Pieters. Ze waren de laatsten van de 39 oorlogsmisdadigers (38 mannen en één vrouw) die na de Tweede Wereldoorlog door de staat zijn geëxecuteerd. De doodstraf was al in 1870 afgeschaft, maar werd in 1945 opnieuw ingevoerd voor de bestraffing van oorlogsmisdadigers. Tijdens de bezetting had de regering in ballingschap besloten dat er na de bevrijding speciale maatregelen moesten komen voor de bestraffing van oorlogsmisdadigers en collaborateurs. Er kwam een Bijzondere Rechtspraak én er kwam een bijzondere straf voor de allerzwaarste oorlogsmisdadigers: de doodstraf.

450.000 dossiers

Bijzondere Rechtspraak na de Tweede Wereldoorlog

"Een lawine van zaken"

Mr G.R. Nubé begon zestig jaar geleden bij het Bijzonder Gerechtshof in Leeuwarden, als piepjonge advocaat-fiscaal (een soort junior openbaar aanklager). Hij was het, die in 1949 de doodstraf eiste tegen Albrecht. Tussen 1945 en 1952, de periode van de Bijzondere Rechtspraak, behandelde hij duizenden zaken. In de eerste chaos na de oorlog lagen de dossiers verspreid over de vloer, want kasten waren er nog niet in het geïmproviseerde gerechtsgebouw. Nubé: “Je moet je voorstellen: er komt plotseling een lawine van zaken op je parket neerdalen. De achterstand van vijf jaar oorlog. Het was wel eens benauwend, hoe krijgen we hier goed de vaart in? Maar nee, in paniek ben ik nooit geweest.”

Hoe te beginnen aan dit monsterkarwei? Allereerst moest er een scheiding komen tussen de relatief lichte zaken en de zware, die van de echt grote oorlogsmisdadigers. De lichte zaken gingen naar een van de oorlogstribunalen; de zware naar een van de acht Bijzondere Gerechtshoven. Nubé hielp in Leeuwarden mee met de selectie, geen eenvoudige taak: “Er is natuurlijk geen norm vast te stellen voor wat erge en wat minder erge zaken zijn. Dit is echt zo’n beetje natte vinger werk geweest. Maar”, haast hij zich erbij te zeggen, “denk niet dat er in die tijd met de pet naar gegooid werd met de jurisprudentie.” In tegendeel, ondanks de enorme berg aan dossiers (in totaal zo’n 450.000) namen de juristen ieder geval uitvoerig onder de loep.

Dat streven naar zorgvuldigheid had wel een keerzijde. De regering had beloofd dat de berechting van oorlogsmisdadigers ‘snel, streng en rechtvaardig’ zou gebeuren. Zeker het eerste streven – snelheid – is niet gehaald. Weliswaar waren er kort na de bevrijding al een paar grote oorlogsprocessen (zoals dat tegen Mussert, eind 1945), maar mensen als Pieters en Albrecht stonden pas in 1949 voor het eerst in de rechtszaal. Vier jaar na de bevrijding. Na het eerste vonnis volgde er een periode van beroep - of cassatie, zoals het toen heette - en daarna kwam het lange wachten op de uitslag van de gratieverzoeken. Zo kon het gebeuren dat nog in maart 1952 twee mannen werden geëxecuteerd, voor misdrijven die ze in het laatste oorlogsjaar hadden gepleegd.

Andries Pieters, in 1952 ter dood veroordeeld

Andries Pieters, alias Steinbach

Nederlandse SS’er met een voorliefde voor martelen

Andries Jan Pieters werd geboren in 1916 in Leksoela, in het oosten van Nederlands-Indië. Zijn vader werkte daar als zendeling. In 1924 verhuisde de familie Pieters naar Groningen, waar Andries na een mislukte schoolcarrière het leger in ging. Ongeveer een jaar na de capitulatie sloot hij zich aan bij het Vreemdelingenlegioen Nederland, een onderdeel van de Duitse SS. Bij een politieverhoor in 1947 verklaarde hij die beslissing als volgt: “Het was juist in die tijd dat de oorlog tegen Rusland was begonnen en aangezien ik van mijn ouders een streng christelijke opvoeding had genoten en ik dientengevolge anti-communistisch was, besloot ik om dienst te nemen bij het Nederlands Legioen, om zodoende mede te kunnen werken om het communisme te bestrijden.”

Het verhaal van Pieters begint eigenlijk pas echt in het laatste oorlogsjaar. Nadat hij gewond was geraakt aan het Oostfront, kwam hij begin 1945 terecht bij het ‘Jagdverband Nord/West’ in Neu-Strelitz. Daar kreeg hij als SS Untersturmführer een groep van ruim dertig man onder zich, die hij trainde voor ongespecificeerde maar uiterst geheime gevechtstaken in Nederland. Ze noemden zich het ‘Kommando Zeppelin’ ofwel ‘Kommando Steinbach’, naar de schuilnaam van Pieters. Begin april 1945 trokken ze naar Nederland. De oorlog had nog maar een paar weken te gaan, maar dat bleek lang genoeg om een ongekend schrikbewind te voeren in eerst Brummen en daarna Loosdrecht.

Op 6 april trok Pieters met zijn mannen in Kasteel Groot Engelenburg in Brummen, een klein plaatsje vlakbij Zutphen. Dankzij tips van de plaatselijke SS en SD wist hij in een mum van tijd tientallen - al dan niet vermeende - verzetslieden te arresteren. Het prachtig gelegen kasteel veranderde binnen enkele dagen in een martelgevangenis. Pieters en zijn vrienden wilden het plaatselijke verzet uitroeien en stonden daarbij voor niets: slaan met gummiknuppels, afbinden van geslachtsdelen, brandende kaarsen uitdrukken op lichamen, spijkers onder nagels slaan, gloeiende poken, verkrachting. Zoals minister van Justitie Mulderije het in januari 1952 verwoordde: “De feiten waarom het hier gaat, behoren tot de allerergste, die hier te lande tijdens de oorlog zijn gepleegd”.

Toen duidelijk werd dat de Canadezen elk moment op de stoep konden staan, verlieten Pieters en consorten hals over kop Groot Engelenburg. Het was vrijdag 13 april 1945. Voor ze vertrokken schoten ze acht gevangenen dood. Die middag werden de lijken gevonden, drijvend in de kasteelvijver. Pieters was toen al lang en breed op weg naar Loosdrecht, waar hij weer een prachtig landhuis voor het Kommando had geregeld. In het Witte Huis in Loosdrecht begon het hele verhaal opnieuw: eerst de jacht op verzetsstrijders en daarna de gruwelijke martelverhoren. Eén gevangene bezweek aan zijn verwondingen; een ander kwam zo gehavend uit gevangenschap dat zij niet lang na de bevrijding overleed. Pieters en zijn mannen gingen zo ver, dat er iets ongekends gebeurde: op 3 mei 1945 werden ze gearresteerd door de Duitse politie. In opdracht van niemand minder dan Willy Lages, zelf toch ook geen geringe oorlogsmisdadiger. Zelfs naar maatstaven van de bezetter ging Pieters iets te ver zijn boekje te buiten. Twee dagen later was Nederland bevrijd.

Albrecht

Wilhelm Artur Albrecht

Duitse SD-chef met tientallen executies op zijn naam

Wilhelm Artur Albrecht (roepnaam Artur) werd geboren in het Duitse Penzig, in 1903. Voor de oorlog werkte hij als politiecommandant, eerst bij de gewone politie en vanaf 1935 bij de Gestapo. Als SS-Hauptsturmführer werkte hij tijdens de oorlog op verschillende plekken in het almaar uitdijende Duitse Rijk. Via het Belgische Gent kwam hij in september 1944 in Nederland terecht, in Leeuwarden. Daar leidde hij tot vlak voor het einde van de oorlog het zogenaamde ‘Aussenkommando’ van de Sicherheitsdienst en Sicherheitspolizei. Hij was in die functie verantwoordelijk voor de handhaving van de orde in de provincie Friesland. Geen eenvoudige klus, want in de laatste oorlogsmaanden was het verzet daar in volle gang.

Zijn zoon Wolfgang heeft hem in 1943 voor het laatst gezien. Hij herinnert zich: “Voor ons kinderen was hij lief, maar streng. Er was geen kwestie van tegenspraak, zoals nu bij mijn eigen kinderen”. Een autoritaire man, maar ook “zeer intelligent en zeer kunstzinnig”. Goffe Hoogsteen, een oud-verzetsman uit Friesland, is minder genuanceerd over Albrecht: “Hij was een echte rotmof, laten we het zo maar zeggen.” Hoogsteen was betrokken bij de legendarische overval op de Leeuwarder gevangenis in december 1944 (bekend van de film De Overval). Hij kent verschillende mannen die door het Aussenkommando van Albrecht zijn geëxecuteerd. Zelf is hij mishandeld tijdens een verhoor op het kantoor van Albrecht. Hoogsteen herinnert zich: “Ik was nog maar net binnen en er kwam zo’n dikke Belg op me toe [meegekomen uit Gent] en hij zei tegen me: ‘Jij bent een terrorist’. Ik zeg: ‘Wat is dat, een terrorist?’ Hij zei: ‘Dat weet je dondersgoed.’ En toen heeft hij mij heel de strot naar binnen geslagen.” Ruim zestig jaar later heeft hij er nog steeds last van.

Albrecht zat er bij en keek er naar. Zelf deelde hij ook geregeld klappen uit bij verhoren, maar het meeste werk liet hij door zijn ondergeschikten uitvoeren. Net als bij Pieters kwam het toebrengen van brandwonden regelmatig voor, maar ook het bijna verdrinken van gevangenen in een grote bak water, om hen aan de praat te krijgen. In de strijd tegen het verzet leidde Albrecht niet alleen zulke ‘verscherpte verhoren’, maar voerde hij ook het bevel over represaille-executies. Elke keer wanneer het verzet een geslaagde actie pleegde antwoordde de SD met een genadeloze represaille. In de laatste oorlogsmaanden executeerde het ‘Aussenkommando’ van Albrecht zo tientallen verzetsstrijders en andere gevangenen, die vaak betrekkelijk willekeurig uit de gevangenis waren geplukt. De grootste massa-executie was in Dokkum, waar Albrecht op 22 januari 1945 twintig man buiten in de sneeuw liet fusilleren.

Op 14 april 1945 – Pieters zat net een dag in Loosdrecht – vluchtte Albrecht weg uit Leeuwarden. Friesland was al voor de helft bevrijd; de komst van de Canadezen was nog maar een kwestie van uren. Omdat de weg naar het oosten was afgesloten, reed Albrecht met een paar collega’s naar het westen van Nederland waar ze zich tot het einde van de oorlog schuil hielden. Op 5 mei werd Albrecht in Aerdenhout gearresteerd. Hij droeg het uniform van een onderofficier, maar het duurde niet lang voor hij werd herkend als de beruchte SD-chef uit Leeuwarden. Vier jaar later begon zijn proces voor het Bijzonder Gerechtshof van Leeuwarden.

Nubé

"Bravo" voor de doodstraf

Minder steun naarmate de tijd vordert

De processen voor het Bijzonder Gerechtshof waren geweldig populair, vooral als er een grote oorlogsmisdadiger terecht stond. Iedereen wilde erbij zijn om het wonder van de gerechtigheid met eigen ogen te aanschouwen. Oud-aanklager Nubé herinnert zich: “We werden overdonderd door aanvragen. We kregen cadeautjes aangeboden: enorme rollades, taarten, kisten sigaren, alles werd maar aangeboden in de hoop daarmee een plekje te kunnen veroveren op de tribune. De zittingszalen waren bomvol. Soms hoorde je het publiek roepen, ‘Bravo!’, als er een doodstraf uitgesproken was”.

Direct na de oorlog was praktisch heel Nederland voor de doodstraf. Ook Nubé: “We vonden het volkomen terecht, het was vanzelfsprekend”. Er bestond weliswaar een ‘Landelijk Comité van Actie tegen de Doodstraf’, maar dat kreeg aanvankelijk weinig voet aan de grond. Nubé vindt die wijdverbreide steun voor de doodstraf - toch eigenlijk al in 1870 afgeschaft - nog steeds heel begrijpelijk. “Het kwam door alles wat er gebeurd was, al die vreselijke jaren. Dat was toch niet niks: al die verzetsstrijders die gesneuveld zijn, doodgemaakt door de Duitsers. Hoeveel Nederlanders zijn er niet gesneuveld door ingrijpen van de Duitsers. En nu waren zij een keer aan de beurt.”

Dat wil niet zeggen dat hij graag getuige wilde zijn van de feitelijke executie. Nubé geeft het achteraf eerlijk toe: “De jaren waarin de beslissingen over gratieverzoeken doorkwamen, dat waren afschuwelijke jaren. Als een gratieverzoek was afgewezen, dan kreeg je als officier een brief met ‘Zeer Geheim’ erop, en daarin zaten nog vier andere geheime brieven. In de laatste stond dat de gratie afgewezen was. Dan moest je maar je maatregelen nemen: een militaire commandant bestellen, een executiepeloton, een begrafenisonderneming en een dokter.”Maar het ergste van alles: je moest zelf bij de executie aanwezig zijn. “Dat leek mij zo afschuwelijk. Als het mij toegevallen was, die afschuwelijke rol, dan zou ik het ook met inzet gedaan hebben. Maar ik geloof dat je wel mag wensen dat door een of ander toeval dit lot aan je voorbij gaat”. Nubé heeft geluk gehad: hij is nooit opgeroepen.

Kort na de oorlog kreeg een aantal belangrijke symboolfiguren in Nederland de doodstraf: Blokzijl, Mussert, Rauter, Christiansen, Van Genechten (Seyss-Inquart kwam in Neurenberg aan de beurt). Maar naarmate de oorlog langer geleden was, begon de steun voor de doodstraf langzaam af te brokkelen. Zeker toen in 1950 ook nog eens de paus zich tegen de doodstraf uitsprak. Met name voor Blokzijl geldt, dat hij waarschijnlijk niet de doodstraf had gekregen als zijn proces een paar jaar later was begonnen. Ondanks de jaren van onzekerheid en de vaak beroerde gevangenisomstandigheden, had het soms zijn voordelen om lang op een proces te moeten wachten. Toch gold dat niet voor iedereen. Niet, in ieder geval, voor Andries Pieters en Artur Albrecht.

Bijzonder Gerechtshof

Twee vreemde processen

Pieters en Albrecht voor het gerecht

Ze stonden alle twee in 1949 voor het eerst terecht. In eerste instantie leken het twee duidelijke zaken. Er waren zowel tegen Pieters als tegen Albrecht tientallen getuigenverklaringen, zowel van martelingen als van executies. Het ene verhaal was nog gruwelijker dan het andere en de bewijzen stapelden zich op. Zonder al te veel problemen kregen beide mannen dan ook hun vonnis: de doodstraf. Albrecht in januari, Pieters in juni 1949; de eerste in Leeuwarden, de tweede in Amsterdam. Toch was het nog geen uitgemaakte zaak. In zulke zware gevallen volgde na de eerste uitspraak altijd een beroep (dat was wettelijk verplicht), en in cassatie bleken de zaken gecompliceerder te liggen.

Bij Albrecht gold vooral de lastige verantwoordelijkheidskwestie: ‘Befehl ist Befehl’. Hij was weliswaar leider van zijn eigen, ongetwijfeld misdadige Aussenkommando, maar boven hem stonden nog tenminste twee Duitse chefs aan wie hij zelf weer moest gehoorzamen. De verdediging betoogde dat de opdrachten tot represaille-executies steeds afkomstig waren geweest van die superieuren. Albrecht zelf zou dus niets anders hebben gedaan dan het uitvoeren van opdrachten. Zelf zag hij zich dan ook niet als een oorlogsmisdadiger en beklaagde hij zich over het “overwinnaarsrecht” waaraan hij was overgeleverd. De Bijzondere Raad van Cassatie liet zich niet overtuigen en bevestigde op 1 december 1951 de doodstraf, met eenparigheid van stemmen.

Dan was er de zaak Pieters. Hij had weliswaar gevangenen zwaar mishandeld – dat gaf hij ruiterlijk toe - maar de ergste martelingen bleken niet door hemzelf maar door zijn ondergeschikten te zijn verricht. Hoeveel had hij daarvan kunnen, en moeten weten? Ook zijn betrokkenheid bij de moord op acht gevangenen in Brummen was lastig te bewijzen, aangezien een Duitse SD’er al was veroordeeld als hoofdschuldige van dat misdrijf. De Bijzondere Raad van Cassatie was niet tevreden met de procesgang en vernietigde het vonnis. Pieters kreeg een nieuw proces, dit keer in Haarlem. Daar werd zijn doodstraf omgezet in levenslang.

Op zijn beurt ging vervolgens de openbaar aanklager in beroep bij de Bijzondere Raad van Cassatie. Opnieuw hield de advocaat van Pieters, mr Van Dal, een gloedvol betoog. Uit zijn pleitnotitie van 28 maart 1951: “In en rond een oorlog zijn mensenlevens niet duur, er wordt veel en snel gestorven in een oorlog. Maar in vredestijd heeft het mensenleven zo niet een hogere, dan toch een andere waarde en betekenis. En men kan niet – wil men zijn Recht het aspect der menselijkheid niet ontzeggen – iemand zes jaren lang laten leven op de smalle en kantige rand, die de tijd van de oneindigheid scheidt, en hem dan tenslotte – op een willekeurig ogenblik, dat ons past - in de onpeilbare afgrond dier oneindigheid stoten.” Dit keer was de Bijzondere Raad van Cassatie niet unaniem. Van de zeven leden waren er vijf voor de doodstraf en twee voor levenslang. In november 1951 viel de opmerkelijke beslissing: het werd alsnog de doodstraf. Binnen twee jaar ging Pieters van doodstraf naar levenslang en weer terug naar de doodstraf. Alleen gratie zou hem nog kunnen redden.

Koningin Juliana

Gratie en de koningin

Een deal op leven en dood

In totaal is na de oorlog 154 keer de doodstraf opgelegd. Daarvan zijn er slechts 39 voltrokken. Twee veroordeelden pleegden zelfmoord, twaalf bleven voortvluchtig en maar liefst honderd en één kregen gratie. De meerderheid, kortom, zag de doodstraf omgezet in levenslang. Dat was bewust beleid van de regering. In een geheime richtlijn van 1946 legde ze vast, dat executie van enkele oorlogsmisdadigers weliswaar noodzakelijk was als vergelding voor het doorstane leed, maar dat het er vooral niet teveel moesten worden. Een al te groot aantal executies zou slecht zijn voor de moraal, en moest door middel van gratie worden voorkomen.

In principe was het de koningin die gratie verleende, maar zij liet zich adviseren door de minister van Justitie. Onder Wilhelmina ging die samenwerking in de regel uitstekend, maar bij het aantreden van Juliana, in 1948, ontstond er een lastige situatie. Juliana was een verklaard tegenstander van de doodstraf. En juist in haar regeerperiode kwam een aantal belangrijke gratieverzoeken aan de orde, die de minister niet zomaar wilde inwilligen. De koningin kon de minister niet dwingen een doodstraf om te zetten in levenslang, maar ze kon de zaak wel flink vertragen door gratieverzoeken op haar bureau te laten liggen. De tijd werkte in haar voordeel. Vanuit het buitenland kwam steeds meer druk om af te zien van de doodstraf, vooral voor Duitse oorlogsmisdadigers. Daar stond tegenover dat het Nederlandse volk gerechtigheid wilde zien. Gratie was lastig te verkopen, zeker bij beruchte oorlogsmisdadigers als de ‘Vier van Breda’.

Struycken, minister van Justitie van 1950 tot 1951, wist de impasse tijdelijk te doorbreken. Hij sprak af met Juliana dat alleen díe oorlogsmisdadigers zouden worden geëxecuteerd, die zowel bij het eerste vonnis als in Cassatie tot de doodstraf waren veroordeeld. Als één van de rechterlijke instanties anders had beslist, als er ook maar één mogelijkheid tot twijfel was, kregen ze alsnog gratie. Zo kregen in de regeerperiode van Struycken twee van de ‘Vier van Breda’ gratie: Fischer en Aus der Fünten, tot groot ongenoegen van de Tweede Kamer.

Na een kabinetscrisis werd Struycken opgevolgd door Mulderije, eind 1951. Er lagen toen nog zeven lastige gevallen: Kotälla en Lages (de andere twee van ‘Breda’), Albrecht en Pieters, en drie minder bekende Duitsers (Haase, Bellmer en Frankenstein). Tussen Mulderije en Juliana kwam het tot een patstelling. De nieuwe minister was voorstander van een hardere lijn. Hij wilde uitvoering van de doodvonnissen: het kon toch niet zo zijn dat de zwaarste oorlogsmisdadigers zo makkelijk weg konden komen? De koningin hield vast aan gratie. Ze maakten vooral ruzie over Willy Lages, wiens gratieverzoek Juliana pertinent weigerde af te wijzen. Uiteindelijk sloten ze een deal op leven en dood: vier van de zeven kregen gratie, in ruil voor twee executies. Die twee waren Albrecht en Pieters. Het geval Lages werd doorgeschoven naar een volgend kabinet. Geen elegante oplossing, maar minister en koningin konden weer door één deur.

Wolfgang Albrecht

De laatste twee

Albrecht: "Ik wil geen genade, ik wil mijn recht"

Vooral voor Pieters was het onbegrijpelijk. Hij was toch bij het Haarlemse gerechtshof tot levenslang veroordeeld? Reden tot twijfel genoeg dus voor de koningin. Op basis van het protocol van Struycken had hij gratie moeten krijgen. Zeker waar mensen als Fischer, Kotälla en Aus der Fünten dat wel kregen. Maar het protocol was geen wet en de nieuwe minister was er niet aan gebonden. Toen Pieters een dag voor executie hoorde dat hij de volgende ochtend zou worden doodgeschoten, veroorzaakte hij een klein oproer in de gevangenis van Scheveningen. Zijn advocaat moest erbij komen om hem tot bedaren te brengen.

Voor Albrecht lag het iets anders. Ook hij had gerekend op omzetting van de straf in levenslang, maar op andere gronden. Eigenlijk wilde hij helemaal geen gratie, (al werd die pro forma wel aangevraagd), omdat hij ervan overtuigd was dat hij geen oorlogsmisdadiger was. Zijn zoon Wolfgang verklaart: “De mensen van nu kunnen zich bijna niet meer in de trots en het rechtsgevoel van onze vaders verplaatsen. Mijn vader zei: ‘Ik ben onschuldig. Ik wil geen genade, ik wil mijn recht’”. Zoon Wolfgang heeft wel begrip voor dat standpunt.

De executies van Pieters en Albrecht zouden de laatste twee zijn, op 21 maart 1952. Lages kreeg onder de nieuwe minister van Justitie, Donker, alsnog gratie en zo kon de Bijzondere Rechtspraak eindelijk worden afgesloten. Nubé kijkt er met gemengde gevoelens op terug. Over de kwaliteit van de Bijzondere Rechtspraak is hij tevreden, maar de gratie voor de ‘Vier van Breda’ heeft hem nooit lekker gezeten. Aan de andere kant, hij is in de loop der jaren ook anders tegen de doodstraf gaan aankijken. Nubé: “Ik ben nu volstrekt tegen. Het belangrijkste argument is het onherroepelijke. Hebben wij mensen het recht om een ander mens het leven te ontnemen?” En dan aarzelt hij weer. “Als we weer zo besprongen zouden worden als in 1940… Dan moesten we de doodstraf misschien toch maar weer invoeren.”

Archiefmateriaal en muziek

Archieven:
Nationaal Archief
Centraal Archief van de Bijzondere Rechtspleging:
Inventaris nrs 486 en 1614 (Albrecht); 2692, 10-I t/m IV (Pieters)
Archief Kabinet van de Koningin:
Inventaris nrs 10111, 10133, 10232
Archief Ministerie van Justitie
Gratiedossiers Pieters en Albrecht

Muziek:
VPRO’s Moondive: Aflevering 1 (‘Greenhouse’)
Het Amstel Saxophone Quartet: ‘Straight Lines’

Credits
  • Research en tekst
    Laura van Hasselt
  • Research
    Jordi Vermeulen
  • Regie
    Yaèl Koren
Bronnen
  • In plaats van bijltjesdag

    A.D. Belinfante, In plaats van bijltjesdag (Assen 1978).

  • Doodstraf en gratie in Nederland

    S. Faber, ‘Doodstraf en gratie in Nederland (1945-1952)’, Proces 2003, nr 5, p. 238-242.

  • Nederland en zijn Duitse oorlogsmisdadigers’

    D. de Mildt en J. Meihuizen, ‘Nederland en zijn Duitse oorlogsmisdadigers’. Nog te publiceren.

  • De drie van Breda

    H. Piersma, De drie van Breda (Amsterdam 2005).

  • Alhoewel ik in staat zou zijn geweest ze persoonlijk dood te trappen

    J. Ramakers, ‘”Alhoewel ik in staat zou zijn geweest ze persoonlijk dood te trappen”. Oud minister Struycken over zijn rol in het gratiebeleid jegens ter dood veroordeelde oorlogsmisdadigers’ in: Jaarboek Parlementaire Geschiedenis (Nijmegen 2003), p. 114-119.

  • streng en rechtvaardig

    P. Romijn, Snel, streng en rechtvaardig (Amsterdam 1989).

  • Laarzen op de Lange Pijp

    Y. Schaaf, Laarzen op de Lange Pijp (Franeker 1994).

  • Bezettingstijd in Friesland III

    P. Wijbenga, Bezettingstijd in Friesland III (Leeuwarden 1995).

  • Oorlog in een dorp aan de IJssel

    P. Willemsens, Oorlog in een dorp aan de IJssel (Brummen 1994).

  • Het justitiebeleid van Mulderije

    J. van Merriënboer, ‘Het justitiebeleid van Mulderije’ in: Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945 Deel IV (Nijmegen 1997).

Vragen?

Heeft u vragen, ideeën of opmerkingen?

Neem dan contact op met de redactie: