Meer verdieping op het gebied van geschiedenis? Kijk op NPOFocus.nl
↳ Enter om te zoeken
6 mei 2003

Hilde Goldberg

Andere Tijden Goldberg Bergen Belsen kinderen
Bekijk Video
1 min

De Amsterdamse Rivierenbuurt

Hilde Goldberg, geboren Jacobsthal, is sinds de zomer van 1943 niet meer in de straat van haar jeugd geweest. ‘Het is precies hetzelfde, het is helemaal niet veranderd’, zegt ze verbijsterd als ze bij de Montessorischool de hoek omgaat, van de Nierstraat naar de Zoomstraat. De Zoomstraat zelf ziet er inderdaad precies zo uit als op een foto uit 1935, maar de Montessorischool heet inmiddels Anne Frankschool en is beschilderd met een passage uit het dagboek. ‘Ik heb het wel eens gelezen, maar ik heb het nooit gezien’, zegt mevrouw Goldberg. ‘Anne zou wel verbaasd zijn geweest, als ze geweten had dat er een school naar haar zou worden genoemd, ze was gewoon een klein meisje.’


Op oude filmbeelden van de Rivierenbuurt in Amsterdam-Zuid, waar de Zoomstraat ligt, zijn veel kleine jongens en meisjes te zien en veel van die kinderen waren, net als Anne en Hilde, joods. De Rivierenbuurt is ook nu nog een populaire buurt om te wonen; een etagewoning kost er al gauw 300.000 euro. Maar als er – naast de oude Jodenbuurt in het centrum – één buurt is waar de loodzware deken van het oorlogsverleden overheen hangt, zijn het deze straten wel. Voor wie het wil weten tenminste.
 

Vóór de oorlog woonden in de Rivierenbuurt 17.000 joden. Onder het motto ‘oost, west, zuid best’ trokken ze met liefde weg uit de overbevolkte buurt rond het Waterlooplein met zijn kleine, slechte woningen naar het Plan-Zuid van architect Berlage. Vanaf 1920 verrezen daar in hoog tempo de woonblokken die nog steeds zo populair zijn. Of ze kwamen, net als Hilde Goldberg (Berlijn, 1925) en Anne Frank (Frankfurt, 1929), rond 1930 uit Duitsland. De immigranten voelden zich thuis in de buurt met de vele geloofsgenoten (ook al keken de meer mondaine Duitse joden soms neer op de in hun ogen minder ontwikkelde Nederlandse buurtgenoten) en integreerden in een razend tempo. Samen met onder meer Otto Frank richtte de vader van Hilde Goldberg een liberaal-joodse gemeente op. In de Rivierenbuurt zouden ze blijven.

Hilde Goldberg in de oorlog

De bezetting

Anti-joodse maatregelen

Op 15 mei 1940 maakte de hoofdcommissaris van politie te Amsterdam via het Algemeen Nederlands Persbureau bekend dat die dag een ononderbroken doortocht zou plaats vinden van Duitse gemotoriseerde troepen. ‘Het rijverkeer langs deze wegen en het rijverkeer dat deze wegen kruist, wordt gedurende deze doortocht stopgezet.’ Dankzij de Amsterdamse politie verliep de doortocht inderdaad vlekkeloos. De Duitse kolonne reed onder meer over de Amsteldijk, langs de Rivierenbuurt. ‘En toen viel mijn moeder flauw’.


Hilde Goldberg was in 1940 vijftien jaar oud en zat op de Meisjes-HBS aan de Euterpestraat (inmiddels omgedoopt tot Gerrit van der Veenstraat). Immigranten als de Goldbergs waren in het algemeen waarschijnlijk ongeruster over wat hen te wachten stond dan Nederlandse joden, die van de kant van de overheid traditioneel niets te duchten hadden gehad. Aan de andere kant klampten veel van hen zich na de komst van de bezetter vast aan de gedachte dat het misschien wel zou meevallen. ‘Ik herinner mij dat ik met een vriendin op weg was naar de HBS’, vertelt mevrouw Goldberg, ‘zij was niet-joods en ik zei: “Als het zo blijft, kunnen we de oorlog misschien wel overleven”. Maar het bleef natuurlijk niet zo.’


Vanaf de herfst van dat jaar trof de Duitse bezetter de ene na de andere discriminerende maatregel tegen joden om hen van het overige deel van de bevolking te isoleren. Hilde Goldberg zag haar leven in duigen vallen op het moment dat zij, in het voorjaar van 1941, verwijderd werd uit het roeiteam van haar school dat kort daarvoor nog kampioen van Amsterdam was geworden. Haar ambitie om later kinderarts te worden liet zij snel daarop ook varen.


Na de zomer zouden joodse kinderen hun oude scholen voor nieuw op te richten joodse lycea moeten verruilen, wat zijn resoluut weigerde. In plaats daarvan solliciteerde Hilde, inmiddels zestien jaar oud, naar een baan als kinderverzorgster bij een crèche aan de Plantage Middenlaan, aan de rand van de jodenbuurt. Hoewel zij te jong was om in opleiding te gaan, stond de directrice van de crèche, juffrouw Pimentel, toch toe dat ze daar ging werken.

Razzia in Amsterdam

Vereeniging Zuigelingen-Inrichting en Kinderhuis

Tegenover de Hollandse Schouwburg

De ‘Vereeniging Zuigelingen-Inrichting en Kinderhuis’ was in 1906 opgericht, opdat ‘Joodsche moeders die gesteld zijn op rituele verzorging van hare kinderen, deze kinderen kunnen onderbrengen direct in of nabij het centrum der Joodsche armenbevolking’. In modern Nederlands was de crèche dus een kinderdagverblijf voor voornamelijk joodse vrouwen uit het centrum van Amsterdam die, gedwongen door armoede, moesten werken.


De crèche was een uiterst moderne instelling (met bijvoorbeeld speciaal meubilair en sanitair voor peuters) en kende als enige in Nederland een erkende, tweejarige opleiding tot kinderverzorgster. Ook niet-joodse moeders konden er met hun kroost terecht. Het personeel was eveneens gemengd. Toen de bezetter begon met de consequente scheiding van joden en niet-joden, dwong ze het bestuur in 1941 het niet-joodse personeel te ontslaan en alleen nog maar joodse kinderen op te vangen.


Een buitengewoon navrant aspect van de jodenvervolging in Nederland is dat, ook nadat de deportaties al waren begonnen, er voor hen die nog niet op transport waren gesteld niets anders restte dan er het beste van te maken en een schijn van normaliteit hoog te houden. Totdat Amsterdam in september 1943 ‘Judenfrei’ werd verklaard, bleef de crèche aan de Plantage Middenlaan open en volgden leerling-kinderverzorgsters als Hilde Goldberg er ‘gewoon’ hun opleiding. Navrant is ook dat het onderwijs in de crèche vanaf 1941 alleen maar beter werd: joodse artsen en hoogleraren die niet meer in ziekenhuizen en aan universiteiten mochten werken, waren nu daarvoor beschikbaar. Hilde Goldberg kreeg, in haar eigen woorden, ‘een fantastische opleiding’, zowel in theorie als in praktijk.


Vanaf de herfst van 1942 nam het werk dramatisch toe. Plotseling kreeg de crèche er veel meer kinderen, peuters en baby’s bij, en die moesten ook nog eens dag en nacht blijven. Ze kwamen van de overkant van de Plantage Middenlaan. Kort daarvoor was in het gebouw van de zogeheten Hollandse Schouwburg een verzamelplaats geopend voor bij razzia’s opgepakte joden.

Walter Süskind

De Hollandse Schouwburg

Kindersmokkel

Hilde Goldberg is tijdens de oorlog zelf ook een aantal keer in de Hollandse Schouwburg geweest. Ze zag er ontredderde gezinnen die de avond tevoren uit hun huizen waren gehaald; ze zag er ook haar eigen ouders. ‘Het was zo vreemd, zo bizar.’


De Hollandse Schouwburg werd bewaakt door de SS, maar stond onder beheer van de Joodse Raad, de organisatie onder leiding van joodse notabelen. De Raad was gedwongen met de SS samen te werken bij de uitvoering van de deportaties. De hoogste vertegenwoordiger van de Joodse Raad in de schouwburg was een Duitse immigrant: Walter Süskind.


Volgens historicus Bert Jan Flim heeft hij vermoedelijk toestemming gevraagd – en gekregen – om kinderen tot dertien jaar in de crèche aan de overkant onder te brengen, totdat zij samen met hun ouders (die in de schouwburg bleven) doorgingen naar Westerbork. Waarschijnlijk heeft Süskind, al dan niet in samenspraak met directrice Pimentel, ook het initiatief genomen systematisch kinderen uit de niet of nauwelijks bewaakte crèche te smokkelen. Al eerder lieten Walter Süskind en zijn directe medewerkers zoveel mogelijk volwassenen uit de schouwburg ontsnappen. Het wegsmokkelen van kinderen uit de crèche lag in het verlengde daarvan.


Anders dan met name David Cohen, co-voorzitter van de Joodse Raad, vond Süskind dat het zijn taak was de deportaties zoveel mogelijk te saboteren. Hilde Goldberg herinnert zich dat zij af en toe één of twee kinderen moest aankleden en ze vervolgens naar de achterdeur bracht. Daar namen onbekenden hen mee. Walter Süskind had voor deze smokkel contact gezocht met verzetsgroepen die grotendeels bestonden uit studenten.


Onder de titel 'Omdat hun hart sprak' heeft Bert Jan Flim een dissertatie gepubliceerd over de geschiedenis van de georganiseerde hulp aan joodse kinderen in Nederland. Volgens hem moet het de Amsterdamse Studentengroep van onder andere Piet Meerburg zijn geweest, die de kinderen aan de achterdeur van de crèche ophaalde.

Sieny Cohen-Kattenburg

Onderduiken

‘Kinderwerk’

De jonge rechtenstudent Meerburg was indertijd via het zogeheten ‘Utrechts Studenten Comité’ in contact gekomen met Walter Süskind. ‘Eén keer per week ging ik bij hem langs – hij woonde naast de crèche – en dan bespraken we hoeveel en welke kinderen hij die week wilde onderbrengen. Bij kleine kinderen zeiden we meteen ja; het was nooit een probleem die onder te brengen. Moeilijker was het als ze ouder waren. Jongens van dertien, veertien jaar die er ook nog eens erg joods uitzagen moesten bijvoorbeeld consequent binnenblijven. Dan moest je echt een heel goed adres hebben en zeker weten dat de onderduikouders genoeg overwicht hadden om zo’n jongen binnen te houden. Dan vroegen we een week bedenktijd.’

De geschiedenis van het ‘kinderwerk’ is pas na 1945 stukje bij beetje gereconstrueerd. Gedurende de oorlog werden betrokkenen als Hilde Goldberg zoveel mogelijk onkundig gehouden van wat er precies speelde. Mevrouw Goldberg heeft tot op de dag van vandaag bijvoorbeeld geen flauw idee wie de vrouwen of mannen waren die de kinderen meenamen. Een absolute voorwaarde om kinderen te laten verdwijnen was toestemming van de ouders in de Hollandse Schouwburg. Anders zouden die ouders bij het vertrek naar Westerbork naar hun kinderen hebben gevraagd en had de SS het smokkelwerk meteen ontdekt.


Hoe Walter Süskind wist welke ouders hun kinderen wilden afstaan, heeft Piet Meerburg pas na de oorlog gehoord. Als er nieuwe opgepakte gezinnen in de schouwburg waren aangekomen, stuurde de directrice Pimentel een aantal leidsters ‘naar de overkant’ om de kinderen op te halen. Zij vroegen aan de ouders of ze hun kinderen misschien wilden laten verdwijnen. Sieny Cohen-Kattenburg was één van de leidsters van de crèche. ‘Dan vroegen we “wat denk je ervan, zouden jullie hem of haar willen laten – ik geloof niet dat het woord onderduiken toen al van pas kwam – maar zouden jullie hem of haar willen laten onderduiken?” De meeste deden het niet, die wilden voor hun eigen kinderen zorgen. Niemand haalde het toch in zijn hoofd [te denken] dat dat allemaal vermoord zou worden. Dat geloofde toch geen mens, als ze het al verteld hadden.’


Hilde Goldberg heeft eens met ouders gesproken die al hadden besloten hun kinderen te laten onderduiken, maar het op het laatste moment toch niet konden. ‘Het was zo emotioneel, het is tegenwoordig nauwelijks voor te stellen dat je die dingen meemaakt.’ Volgens Bert Jan Flim hebben 5.000 tot 6.000 kinderen kortere of langere tijd in de crèche aan de Plantage Middenlaan doorgebracht. Hij schat dat 500 tot 700 van hen door de verschillende kinderwerkers in veiligheid zijn gebracht.

Bergen-Belsen

Na de bevrijding

Bergen-Belsen

Op 29 september 1943 liet de bezetter de crèche aan de Plantage Middenlaan definitief sluiten; Amsterdam was ‘Judenrein’ verklaard. Hilde Goldberg was al in de vroege zomer van dat jaar vertrokken omdat ze difterie had. Toen haar ouders (die verschillende keren op het laatste moment aan deportatie naar Westerbork waren ontkomen) op 24 juli wederom waren opgepakt, besloot ze onder te duiken. Haar broer Jo was aangesloten bij een verzetsgroep in België; hij regelde dat Hilde daar in veiligheid werd gebracht. Hoewel Hilde al in september 1944 door de Britten werd bevrijd, was haar oorlog nog niet afgelopen.


Tot april 1945 ging zij als hulpverleenster achter het front werken, totdat het Britse leger op 14 april het concentratiekamp Bergen-Belsen binnentrok en, naast stapels lijken, tienduizenden vaak doodzieke overlevenden aantrof. In een agenda uit 1945 die mevrouw Goldberg heeft bewaard, staat genoteerd dat ze op 18 april met een groep vrijwilligers voor het Britse Rode Kruis naar Bergen-Belsen vertrok. Ze kwam op 21 april aan. ‘Horror-kamp’, staat bij die datum genoteerd, ‘60.000 gevangenen, 30.000 onbegraven lijken en 15.000 doden in de eerste week.’


Nederland werd twee weken later bevrijd, maar in de kampen ging het grote sterven in alle hevigheid door. Cameramensen van het Britse leger hebben opnamen gemaakt van Bergen-Belsen in de dagen na de bevrijding: meestal te gruwelijke beelden om uit te zenden van stapels uitgemergelde lijken die een enkele keer zelfs met bulldozers in massagraven worden geschoven. Hilde Goldberg was 20 jaar toen ze ging helpen tussen de doden naar overlevenden te zoeken, om die vervolgens te verplegen. Om het werk aan te kunnen dronk ze de eerste weken elke ochtend een glas rum. Aan het eind van de dag werd ze met DDT-poeder gedesinfecteerd. In het kamp heerste een tyfusepidemie.


Tussen de overlevenden waren enkele tientallen kinderen: peuters die met hun ouders de verschrikking hadden overleefd, maar ook wezen die niemand meer hadden. In Bergen-Belsen kon Hilde Goldberg zich opnieuw aan de taak wijden waarvoor ze aan de Plantage Middenlaan was opgeleid.

Hilde Goldberg met kinderen nu

Displaced Persons

Van de Plantage Middenlaan naar Amerika

Naar schatting hadden 70.000 joden de concentratiekampen overleefd. Een groot aantal van hen – vooral Oost-Europese joden – konden of wilden niet terug naar het land van herkomst, vanwege het voortwoekerende antisemitisme, of gewoon omdat ze niemand meer hadden om naar terug te keren. In plaats daarvan zochten ze onderdak in door de geallieerden opgerichte kampen voor ‘displaced persons’. Het D.P. Hohne-kamp was daar één van.


Het Britse leger bouwde het kamp naast Bergen-Belsen, nadat ze de met tyfus geïnfecteerde barakken van het oorspronkelijke kamp hadden afgebrand. In feite was D.P. Hohne-kamp een kleine stad van vooral jonge Shoah-overlevenden die, in afwachting van vertrek naar met name Israël, probeerden te herstellen en een nieuw leven op te bouwen. Bij dat nieuwe leven hoorden nieuwe liefdes, huwelijken en kinderen. In juli 1945 gaven de geallieerden het zogeheten American Joint Distribution Committee opdracht de hulpverlening in de opvangkampen te organiseren. Hilde Goldberg vertelt dat zij opdracht kreeg een kinderdagverblijf op te zetten. ‘Ik was nog steeds erg jong, maar wist precies wat er moest gebeuren. Dat had ik in Amsterdam wel geleerd.’


Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie heeft in 1986 een enorm album ontvangen met de foto’s die één van de hulpverleensters in D.P. Hohne, Cecilia ‘Zipy’, van het leven in het kamp heeft gemaakt. Later dit jaar zal het NIOD een boek over het Zipy-album publiceren. Op de foto’s is te zien hoe de peuters en de kleine kinderen werden vertroeteld. Mensen als Hilde Goldberg hadden een nieuw doel in het leven. ‘Ik voelde me volkomen verbonden met deze families en dacht dat ik altijd in de kampen zou blijven en met vluchtelingen zou werken. Ik wilde ook niet terug naar Holland, voor mij was Holland een begraafplaats.’ Maar ook Hilde Goldberg, geboren Jacobsthal, ontmoette in het kamp een nieuwe liefde: de Zwitserse arts Max Goldberg. Met hem zou ze zich uiteindelijk in de Verenigde Staten vestigen. Daar heeft ze in de staat New Jersey een hele keten kinderdagverblijven opgericht. Wat ooit aan de Plantage Middenlaan is begonnen is nooit meer opgehouden.

Samenstelling, regie en tekst: Matthijs Cats.
Met dank aan Rita Goldberg

Bronnen

BEELDMATERIAAL
Bewegend beeld:
Archief Smalfilmmuseum
Imperial War Museum, Londen
Instituut voor Beeld en Geluid

Foto’s:
NIOD
Joods Historisch Museum
Gemeentearchief Amsterdam

MUZIEK
Asmathon van Mikis Theodorakis
Shaker Loops van John Adams

Literatuur

Aalders, G., Barnouw, N.D.J., e.a. (red.), Oorlogsdocumentatie ’40-’45. Negende jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Amsterdam 1998)

Flim, Bert Jan, Omdat hun hart sprak. Geschiedenis van de georganiseerde hulp aan Joodse kinderen in Nederland, 1942-1945 (Kampen 1997)

Walda, D., ‘Amsterdam-Zuid’ in oorlogstijd (Amsterdam 1986)

Vragen?

Heeft u vragen, ideeën of opmerkingen?

Neem dan contact op met de redactie: