↳ Enter om te zoeken
1 juli 2003

Dennendal

Andere Tijden: Dennendal: ontruiming
Bekijk Video
1 min

 

“I have a dream...” Als ooit ergens in het kleine Nederland de woorden van Martin Luther King zacht resoneerden dan was het in de microcosmos van Dennendal, inrichting voor zwakzinnigen in Den Dolder. Het ging daarbij niet om de emancipatie van de zwarte bevolking, maar om een andere minderheidsgroep: verstandelijk gehandicapten die, zelf niet in staat om voor hun rechten op te komen, lange tijd een mensonwaardige behandeling moesten slikken. ‘Debielen’, ‘imbecielen’ of ‘idioten’, zoals ze heetten, werden ondergebracht in grote slaapzalen, verpleegd door personeel in witte jassen, collectief gedoucht met een tuinslang. In die positie kwam eind jaren ’60 wel enige verbetering maar de strijd voor lotsverbetering bereikte de openbaarheid toen Carel Muller ten tonele verscheen. Zijn charismatische verschijning met haar tot op de schouders, lange baard, priemende ogen en zalvende stem - de NRC schreef destijds over zijn fascinerend voorkomen: “...Raspoetin en Jesus Christ Superstar (van beiden heeft hij iets in zich)” - maakte indruk. Hij predikte de volledige acceptatie en gelijkwaardigheid van verstandelijk gehandicapten. Dat ideaal was ingebed in een grotere filosofie over een samenleving waarin minder plaats zou zijn voor macht, aanzien, bestaande patronen en meer plaats voor de menselijke kant, de zwakken, de rechtelozen. Daarmee werd Carel Muller een symbool voor alternatief links Nederland en een ‘pain in the ass’ voor zittende bestuurders.

Carel Muller nu

Het begin

Verdunning en kabouters

In 1966 liep Carel Muller als student psychologie stage bij de afdeling oligofrenie (zwakzinnigenzorg) van de Willem Arntsz Stichting in Den Dolder en daarna maakte hij er een bliksemcarrière. Na voltooiing van zijn studie kwam hij in de staf en in 1969 werd hij benoemd tot psychologisch directeur van de afdeling die inmiddels de naam ‘Dennendal’ had gekregen. Aanvankelijk bekommerde Muller zich vooral om de directe leefsituatie van de zwakzinnigen. Hij initieerde kleine woongroepen waarin ruimte was voor individuele wensen en karaktertrekken van patiënten. Met dit beleid - dat overigens een voortzetting was van een ontwikkeling die ook bij andere inrichtingen was ingezet - had hij groot succes bij de ouders en bij het College van Regenten van de Willem Arntsz Stichting. Maar de activiteiten van Carel Muller gingen verder.

Veel paviljoens op het terrein in Den Dolder waren verouderd en de Stichting had nieuwbouwplannen. Carel Muller trok het initiatief naar zich toe en zocht contact met de progressieve architect F. van Klingeren. Deze architect ontwikkelde, hartstochtelijk gesteund door Muller, een nieuwe visie op het inrichtingswerk. Patiënten (die in deze periode ‘pupillen’ gingen heten) mochten niet langer weggestopt worden in een geïsoleerde omgeving, de scheiding tussen “ziek” en “gezond” moest minder drastisch zijn. Hij pleitte er dan ook voor om op het terrein in de bossen naast patiënten en personeel andere groeperingen te laten wonen of werken. Dit idee van ‘verdunning’ werd door de andere afdelingen van de Willem Arntsz Stichting (Geriatrie en Psychiatrie) niet erg enthousiast begroet. De nieuwbouwplannen werden op de lange baan geschoven. Maar Muller had aan de architect een stokpaardje overgehouden. De verdunningsgedachte zou de komende jaren het belangrijkste strijdpunt voor Dennendal worden.

Ondertussen bloeide er bijna spontaan een geval van verdunning in de achtertuin van Carel Muller. Rond de villa van Carel Muller, aan de rand van Dennendal, streek een kleine gemeenschap kamperende ‘alternatievelingen’ neer. Ze kwamen op uitnodiging van Carel Muller die zich verwant voelde met de Kabouter-beweging en zocht naar een vorm van samenwerking. De Kabouters gingen aan de slag en begonnen een biologisch-dynamische tuin in Dennendal waar vrijwilligers, pupillen en personeel gezamenlijk werkten. En paviljoen Donders kreeg een theetuin; een, met veel Perzische tapijten bekleedde, ontmoetingsruimte voor ongedwongen contacten. Op die manier kreeg de verdunningsgedachte provisorisch gestalte en de contouren van de idealen van Carel Muller werden duidelijker. Hij had, behalve oog voor de zwakzinnigen, ook een visioen van een alternatieve maatschappij. Die utopische wereld brachten de Kabouter- vrijwilligers in Dennendal naderbij. “Het zijn allemaal zeer intensieve en emotionele ervaringen, die het gevoel geven in het voorland van de nieuwe, socialistische maatschappij te leven. Het ideaal van de Oranjevrijstaat lijkt hier tastbare werkelijkheid te worden”, zoals één van de Kabouters verwoordde.

Een totaalvisie

De zachte revolutie

 

Bij de visie op mens en maatschappij die in Dennendal werd ontwikkeld, plukten Carel Muller en de zijnen uit diverse theorieën. Het was een mengelmoesje van psychologisch-humanisme, anarchisme en een tikje marxisme dat de aanhangers van Dennendal dreef. Uitgangspunt was de ‘vervreemding’ van de moderne mens die niet in staat was de zwakzinnige op zijn juiste waarde te schatten. De zwakzinnige was op zichzelf een compleet mens en hoefde niet door middel van therapieën te verbeteren, zoals de klassieke opvatting wilde. Sterker nog, de normale ‘gezonde’ mens kon iets van de zwakzinnige leren “Zwakzinnigen prikken door hun oorspronkelijke gedrag soms onze vooroordelen en angsten, onze vervreemdingen en aanstellerij door...Want een werker in bijvoorbeeld een humane zwakzinnigeninrichting kan na verloop van tijd ongeveer hetzelfde waardepatroon hebben als zwakzinnigen: hij bekommert zich niet zo sterk om economische waarden en conventies en hij vindt goede menselijke relaties van meer belang dan bepaalde maatschappelijke afspraken waarvan hij de oorsprong niet meer herkent. Er ontwikkelt zich een soort zachtzinnigheid bij de werkers...”

De traditionele mens was te veel gericht op macht, status en inkomen. En in de maatschappij waren het de regenten en de zogenaamde deskundigen die de dienst uitmaakten. Die starheid moest verdwijnen, te beginnen in Dennendal. Het woord ‘deskundige’ werd een scheldwoord. De ‘juiste instelling’ was belangrijker dan diploma’s. “Evenmin verwachten wij van de groepsleiders op Dennendal dat ze vakbekwame therapeuten zijn; ze moeten mensen zijn…die op voet van gelijkheid en met een houding van gelijkwaardigheid met de pupillen willen omgaan.”
De gelijkwaardigheid gold niet alleen de verhouding tussen verzorgers en pupillen maar ook de onderlinge werkverhoudingen. Bazen waren taboe, beslissingen werden aan de basis genomen. Niet dat er formele inspraakprocedures waren maar iedereen mocht en kon over alles praten. Zo moest medisch directeur S. Pruyt keer op keer aan groepsleiders uitleggen waarom hij bepaalde medicijnen voorschreef: “Dat kostte veel tijd, ze zagen overal vergif in.” Deze organische democratisering was een wezenlijk onderdeel van de denktrant op Dennendal.Aldus staflid Bartho Smit in een artikel: “Spreiding van macht en verantwoordelijkheid, de democratische inrichting van Dennendal, is een logisch gevolg van en een voorwaarde voor de benadering van zwakzinnigen als echte mensen. Naar mijn ervaring hebben veel tegenstanders dit verband niet gezien. Sommigen maakten zich boos op een soort anarchisme in Dennendal, scholden ons uit voor communisten en maatschappijcritici. Dat kan allemaal waar zijn, maar de meeste anti-Dennendallers getuigden met hun etiketteringen niet van inzicht in het verband tussen humanisering en democratisering.”

Gevestigde orde contra vernieuwers

Irritaties

“Die latere conflicten met het bestuur waren zo begrijpelijk, ze werden voor het blok gezet. Want wij zeiden: de grootste macht, ook de zeggenschap over het wel en wee van de organisatie, moet eigenlijk aan de basis liggen. De lagen daarboven zijn belangstellend, coachend, suggererend, grenzen bewakend, etc. Maar in principe moet de organisatie dus omgedraaid worden. We hebben, behalve van de verdunning, van de machtsvraag echt een punt gemaakt”, aldus Carel Muller. En inderdaad, het werd voor bestuurders bijna ondoenlijk om er greep op te krijgen.

Terwijl personeel en vrijwilligers in Dennendal aan de ideale wereld werkten, groeiden in de omgeving de irritaties. Zo kon de centrale personeelsdienst van de Willem Arntsz Stichting weinig waardering opbrengen voor het aanstellingsbeleid van Carel Muller die voornamelijk op geestverwantschap selecteerde. Het Arbeidsbureau in Zeist klaagt zelfs bitter dat “Dennendal in toenemende mate Kabouterpersoneel aantrekt”. Alles te begrijpen vanuit de hogere idealen maar voor een personeelsdienst nogal ongemakkelijk. Ook het softdrugs-gebruik onder het personeel werd een bron van conflict. Het Stichtingsbestuur deed een poging dit gebruik aan banden te leggen, terwijl Muller openlijk een oogje toekneep. Muller zelf herinnert zich vooral dat hij ergernis wekte door te morrelen aan de ‘clubjesgeest’: “Er was een erg duur laboratorium in Utrecht waaraan Dennendal mee betaalde. Maar eigenlijk kregen we daar niks voor terug, dus ik wilde dat geld aan andere dingen besteden. Daarmee kwam het bestaan van dat laboratorium op losse schroeven te staan. Mensen vinden dat natuurlijk vervelend, hè? Want daar werken collega’s. En dan gaat die Muller zeggen: dat laboratorium kan wat mij betreft opgeheven worden.”.

Maar de grootste onenigheid ontstond rond de democratisering van Dennendal in januari 1971. Geheel volgens de mode van de anti-autoritaire maatschappij werd de formele machtspositie van de twee directeuren (medisch directeur Willem André en psychologisch directeur Carel Muller) opgeheven. Voortaan zou de 12 leden tellende staf in gezamenlijkheid met de directeuren de verantwoordelijkheid dragen voor het te voeren beleid. Directeur Willem André voelde de collectieve harteklop van de tijd blijkbaar minder goed aan en meldde zich ziek.

Hendrik van Nek

Gevecht met de autoriteiten

Voorlopig gewonnen

Het rapport Speyer constateerde wel degelijk ook – maar minder door de media uitgeplozen - bestuurlijk falen. Iedereen kreeg van deze commissie een veeg uit de pan. Carel Muller schoot als manager tekort doordat hij te eigengereid en in een te snel tempo de veranderingen wilde doorzetten, de geneesheer-directeur faalde omdat hij zijn eindverantwoordelijkheid niet nam, het College van Regenten van de Willem Arntsz Stichting bleef in gebreke door een onduidelijke hiërarchische structuur te gedogen, etc. Het rapport resulteerde in ontslag voor Carel Muller en geneesheer-directeur Poslavsky (die overigens, onder druk van collega’s, weer snel werd teruggeroepen). Daarop brak een storm van links protest los. Van alle kanten - het Dennendal-personeel, ouders, landelijke gezondheidsorganisaties - kwamen adhesie-betuigingen voor Muller. Het College van Regenten kon de druk niet aan en besloot dan maar zelf op te stappen. Een Interim-bestuur onder leiding van G.M.J. Veldkamp vulde het machtsvacuüm. Dit bestuur maakte de schorsing van Carel Muller onmiddellijk ongedaan.

Hendrik van Nek, staflid van Dennendal, beschrijft de stemming: “Dennendal kreeg het voordeel van de twijfel en Carel Muller werd voorlopig weer in dienst gesteld. Er was toen een gigantische euforie. Het gevoel van: we hebben het gewonnen van die rechtse klootzakken en nu gaan we erop los. En toen heb ik steeds benadrukt, en dat werd me met name door Carel Muller niet in dank afgenomen, dat we nu moesten bewijzen dat al die prachtige praatjes die we namens Dennendal naar buiten brachten, stoelden op de realiteit. Want reken maar dat er op ons geloerd werd. We moesten aan het werk”

Het Interim-bestuur dacht het werk in Dennendal te begeleiden, een typische bestuursdaad, door voor de zoveelste keer onderzoek te laten doen naar de organisatorische structuur. Na ongeveer een half jaar (mei 1972) bracht het bureau GITP onder de term ‘een organisatie-ontwikkelingsproject voor Dennendal’ advies uit om nader onderzoek te doen naar de manier waarop Dennendal de verdunningsgedachte “operationaliseert”. Makkelijker kon het bestuur het Dennendal in feite niet maken, Dit laffe managersadvies verdween lachend in de prullenbak en men liet met lichte ironie weten: “dat we de interne organisatie-ontwikkeling in Dennendal uitstekend aankunnen.”

Dennendal zette het GITP genadeloos buiten de deur. Hetzelfde poogde Dennendal met de projektontwikkelaar Bofinex. Nadat architect Van Klingeren aan de kant gezet was, boog Bofinex zich over de nieuwbouwplannen voor de Willem Arntsz Hoeve. Maar omdat Bofinex niets voelde voor de verdunningsgedachte, lag het vernieuwingsgezinde Dennendal al snel met het bureau overhoop. Ondertussen kwam de hoognodige nieuwbouw maar niet van de grond.

In augustus 1973 kwam tenslotte de samenwerking met het bestuur zelf onder druk te staan. In dat jaar waren drie nieuwe kandidaten aangezocht om tot het bestuur toe te treden. Dennendal verwierp, bij gebrek aan inspraak, de benoeming. In een brief aan Gedeputeerde Staten zegde de staf van Dennendal het vertrouwen in het nieuwe bestuur “dat zonder ons en over ons beslist” op. Vooral de figuur van W. Drechsel in het nieuwe bestuur was omstreden. Hij had als bestuurder aan de universiteit ook al het Maagdenhuis laten ontruimen en zijn aanstelling was voor Dennendal een duidelijke provocatie. Muller: “Het is net zoiets als wanneer je senator Van Riel directeur van de VPRO zou maken.”

Er was twee jaar lang veel gestreden maar weinig bereikt. De ‘regenten’ hielden hun poot stijf: de benoeming van het nieuwe bestuur werd doorgezet. Voor Dennendal een teken om nu volledig de kont tegen de krib te gooien. De kloof tussen bestuur en Dennendal was niet meer te overbruggen.

Dennendal in opspraak

Langharig tuig

Maart 1971 verscheen in De Telegraaf onder de allitererende kop “’Den Dolder’ draait dol door kabouters” een aanklacht tegen de toestanden op Dennendal. Het artikel bracht veel opschudding teweeg en bij gevolg stortten diverse media zich op de kleine gemeenschap in de bossen bij Utrecht. Daarbij was er minder oog voor de bestuurlijke problemen dan voor de door hippies en drugs bezwangerde sfeer. De toon was gezet door de Telegraaf (“...kabouters hebben in het vervallen ’Donders-paviljoen’ een volledig Paradiso ingericht...”) die met veel suggestie beweerde dat de verzorging van de pupillen in gebreke bleef en één vrouw zelfs de verdrinkingsdood zou zijn gestorven door de bandeloosheid van het personeel. De sensatie van ongewassen jongens en meisjes die onder aanvoering van de duivelse Muller niet in staat waren de zorg voor zwakzinnigen op zich te nemen, zou de komende jaren veel vaker de discussie vertroebelen. De linkse pers en de Mullerianen lachten om deze burgerlijke vooroordelen en betrapten de aanvallers terecht op overdrijving en pietluttigheden. De hogere idealen waarvoor Dennendal streed, drongen blijkbaar niet tot de blokhoofden van het establishment door.

Behalve de media deden ook de officiële instanties mee met dit kat-en-muis spelletje. Zo kwam de commissie Speyer, die was ingesteld om naar aanleiding van het Telegraaf-artikel de situatie op Dennendal te onderzoeken, met een rapport waarin ze geen verwaarlozing konden aantonen maar wel op Telegraaf-achtige wijze “het deviant gedrag” van het personeel hekelden dat zich uitte in “hippe kledij en weelderige haardracht” en een “wat nonchalante en zorgeloze leefwijze.” Dit rapport was voor de linkse pers dan weer aanleiding om te vallen over de terreur van “kortgeknipte schedelafmetingen”. En zo dreigde de openbare discussie te verzanden in een oppervlakkig debat of de term ‘langharig’ ook onmiddellijk met ‘tuig’ geassocieerd moest worden. Terwijl andere woorden in het Telegraaf-artikel intrigerender waren: “Sinds Carel Muller hier de volledige macht uitoefent...”

Piet Reckman in 1974

Escalatie

Scheuring op alle fronten

“Het werd steeds groter. Dat had te maken met de tijdgeest, de 60-er jaren. Wij waren een steentje in de ketting. Parijs was al geweest, Bloemenhove was gesloten, de universiteiten waren niet echt leuk geworden. Het was duidelijk dat de verbeelding niet aan de macht was gekomen. Wij dachten dat we misschien wel iets konden realiseren” aldus Carel Muller in 2002. Hij speelde het spel hoog. En daarmee was het einde onontkoombaar: het was alles of niets.

Om het gedachtengoed van Dennendal te redden uit de klauwen van de grijze regenten trok hij een eigen bestuur aan. Het Dennendal-bestuur, met als voorzitter Piet Reckman, zou de mogelijkheid van een zelfstandig Dennendal onderzoeken. Dat betekende uiteraard een regelrechte oorlogsverklaring aan het zittende bestuur van de Willem Arntsz Stichting. Vijf stafleden van Dennendal distantieerden zich van deze confrontatiepolitiek van Carel Muller en er ontstond een scheuring in eigen gelederen.. Toen ook nog eens Hendrik van Nek, één van de dissidenten, door Carel Muller werd ontslagen, deelden de vier andere afvallige stafleden mee dat ze geen verantwoordelijkheid meer wilden dragen voor Dennendal zolang Muller aanbleef. De ene dominosteen viel nu na de andere. De pas benoemde bestuursleden van de Stichting zagen deze crisis niet zitten en stapten onmiddellijk op. Het Oudercomité liet weten niets te voelen voor de oprichting van een eigen Dennendal-bestuur. De raad van de Willem Arntsz Hoeve voelde zich door de vorming van een eigen Dennendal-bestuur gepasseerd. Kortom, de chaos in Den Dolder was nu werkelijk compleet.

Het bestuur deed dan ook een ferme ingreep en ontsloeg Muller per 1 mei 1974, terwijl hij met onmiddellijke ingang werd geschorst. Maar inmiddels was het oorlog en de Mullerianen lieten zich niet zo makkelijk in een hoek drijven. Ze bezetten de directiekeet op het terrein van Dennendal. Op 18 januari werd die keet door de politie weer ontruimd en Muller kreeg op staande voet ontslag. Maar nog was de strijd niet voorbij. De medewerkers van Dennendal riepen op 25 januari in een vergadering (van de 210 aanwezigen stemden 157 voor) het onafhankelijke Nieuw-Dennendal uit. Muller hervatte op verzoek van het personeel zijn functie als directeur. Toen de Stichting vervolgens ook de zeven Muller-getrouwe stafleden officieel ontsloeg, bleven zij als vanzelfsprekend op en rond Nieuw-Dennendal functioneren. Bartho Smit, één van de pro-Muller stafleden: “Ik had echt het gevoel dat we in het verzet zaten. Dat gevoel had ik heel sterk.”

Ten einde raad verzocht het Stichtingsbestuur de staatssecretaris de paviljoens op Dennendal te sluiten en de pupillen over te plaatsen. Maar staatssecretaris Hendriks durfde de ontruiming niet aan en besloot nog maar weer eens een commissie in te stellen. De sfeer was echter dermate verziekt dat de partijen nog onmogelijk bij elkaar konden komen. Incident volgde op incident waarbij zelfs geweld tussen het personeel van Nieuw-Dennendal en de rest van de Willem Arntsz Hoeve niet geschuwd werd. Langzamerhand raakte het geduld van alle betrokkenen op en het doek viel definitief: op 2 juli machtigde het bestuur de terreinwachter van de Willem Arntsz Hoeve het ‘wederrechtelijk verblijf van personen in de paviljoens Donders en Lorentz te doen beëindigen, zonodig door een beroep te doen op de justitiële autoriteiten.”

Piet Reckman nu

De ontruiming

Einde van een droom

De reikwijdte van het gevecht dat op Dennendal al die jaren was gevoerd, kan niet beter omschreven worden dan met een citaat van Piet Reckman, voorzitter van het Dennendal-bestuur, over de ontruiming. “Woensdag 3 juli 1974 ‘s morgens om 8 uur werd het sein gegeven voor een strijd die duurt tot onze maatschappij indringend is veranderd, zo ingrijpend dat mensen niet meer geterroriseerd kunnen worden door belangen van de bezitters van kapitaal, produktie- en reproduktiemiddelen, van autoritaire juridische titels en zetels. Op dat moment verschenen de door Drechsel en Hendriks opgetrommelde 120 politiemannen, de stillen inkluis. Met 12 overvalwagens, walkies-talkies, complete draaiboeken, wagens vol afzethekken, waterkanon, rijdende apotheek kwam de politionele uitdrukking van de bestaande macht het terrein van Nieuw Dennendal op en ontruimde paviljoen Lorentz.”

Hoezeer de actievoerders ook geloofden in voortzetting van de strijd, de ontruiming was wel degelijk het einde van een tijdperk. En het is wellicht ook daarom dat deze ontruiming in het geheugen van veel middelbare Nederlanders is blijven hangen. Het was de definitieve nederlaag - na Provo, na de Maagdenhuisbezetting, na de Kabouters - van de zachte maar openlijke revolutie tegen het fantasieloze regentendom. De droom van een andere ‘lieve’ samenleving, die in Dennendal een kleinschalig experiment beleefde, was in de kiem gesmoord. In de jaren erna werd er nog wel gesleuteld aan de verhoudingen maar dat gebeurde veelal in goed overleg volgens de regels van het poldermodel. De ware strijd werd niet meer aangegaan.

Het conflictmodel

Hoe de revolutie haar kinderen opat

De desillusie bij Carel Muller was groot: “De betekenis van de ontruiming ging ver boven Dennendal uit. Je voelde zoiets als: dan is het nu duidelijk in wat voor maatschappij we de komende tijd zullen moeten leven. En dat was natuurlijk een enorme teleurstelling....De pogingen om de maatschappij te beïnvloeden in een wat vriendelijker en ludieker, medemenselijker richting, dat was afgelopen.”

De strijd met de regenten was hard geweest. Daarbij speelde ongetwijfeld een rol dat sommige bestuurders zich weinig flexibel opstelden en zonder veel fantasie vasthielden aan bestaande orde en regelmaat. Maar de kern van het conflict was misschien wel de eenvoudige constatering van Muller achteraf: “Het kwam er toch gewoon op neer dat zij niet wilden wat ik wilde en ik wilde niet wat zij wilden. En klaar.” Paradoxaal genoeg functioneerde Muller op gelijke voet met de regenten. Ook hij was onflexibel en autoritair. Het werd een gevecht tussen twee Titanen waarbij op een gegeven moment de strijd belangrijker werd dan de resultaten. Hendrik van Nek, als staflid aanvankelijk een enthousiast aanhanger van de Dennendal-ideeën, kreeg genoeg van de eeuwige conflicten die Carel Muller met zichtbaar genoegen in stand hield : “Carel bracht permanent vijanden ter sprake in de stafvergaderingen. Mensen die de idealen probeerden tegen te houden, om zeep te helpen. Hij schetste voortdurend een vijandbeeld en gaf dan smakelijke voorbeelden hoe iemand in een vergadering rechtse dingen had gezegd, hoe dom een ander weer op hem had gereageerd, hoe hij tevergeefs trachtte ze bij hun verstand te krijgen. Carel zat in een conflictmodel. En hij bracht de conflictstof onder zijn medewerkers waardoor de polariteit permanent werd bevestigd.” Bartho Smit beaamt dat de vijand met een zeker genoegen aan de paal werd genageld: “Alle krachten die hij gebruikte om te binden gebruikte hij ook om de strijd met de tegenstanders aan te gaan. Dus z’n scherpzinnigheid. Disloyaliteit strafte hij heel scherp af. Z’n humor bijvoorbeeld was aan de ene kant iets waarmee hij je bond, maar z’n humor was ook heel scherp voor zijn tegenstanders. Dan kon hij inderdaad heel cynisch en satirisch tegenstanders te kakken zetten. De bestuurders, de ambtenaren, de inspecteurs, de politici, etc.” En zo kreeg de strijd op Dennendal tegen de regenten zelf intolerante en harde trekjes. Hoe de zachte revolutie haar eigen kinderen opat.

Literatuur

W. Meijering, B. Peper, e.a., Nieuw Dennendal. Een goede buurt gesloopt (Baarn 1975).
E. Tonkens, Het Zelfontplooiïngsregime. De actualiteit van Dennendal en de jaren zestig (Amsterdam 1999).
A. J. Heerma van Voss, ‘De kracht van Dennendal’, in: Verzameld (Amsterdam 1992).
J.J. Dankers & A.A.M. van der Linden, Om het geluk van de zwakzinnige. De geschiedenis van Dennendal 1969-1994 (Den Dolder 1994).