↳ Enter om te zoeken
4 september 2001

Zwarte Scholen

Klas Combinatie 70
Bekijk Video
24 min

Combinatie 70

De Rotterdamse wijk het Oude Noorden is een mengeling van vervallen oudbouw, grijze nieuwbouwblokken en lege zandvlaktes omringd door hekken met borden die waarschuwen voor verontreinigde grond. Midden in deze wijk ligt de openbare basisschool Combinatie 70. Het oude schoolbouw aan de 2e Pijnackerstraat ademt de sfeer van een lagere school van het begin van de vorige eeuw. Zware deuren, geglazuurde tegels, hoge trappen met houten trapleuningen en lokalen met hoge ramen.

Een eeuw geleden zaten hier de kinderen van de arbeiders uit Zeeland en Brabant op school en was het een klompenschool omdat de ouders geen geld hadden voor echte schoenen. Nu zitten de kleinkinderen van de gastarbeiders van de jaren zeventig uit Marokko en Turkije in de klaslokalen. Combinatie 70 is net zoals de vijf andere basisscholen in de buurt een ‘zwarte’ school. De Combinatie 70 was echter een van de eerste scholen in Nederland die de omslag meemaakte van een school voor arbeiderskinderen naar een school met voornamelijk kinderen van Turkse en Marokkaanse afkomst.

Moeder van het Oude Noorden

Eveline Mink

Eveline Mink van Combinatie 70 kwam in 1974 als pas afgestudeerde kleuterleidster van 21 jaar op de kleuterschool werken. Bij de fusie met de lagere school Combinatie 70 in 1985 tot basisschool werd ze adjunct-directeur maar er bestond al een nauwe samenwerking voor de fusie. Haar bijnaam in de buurt en de school is 'de Moeder van het Oude Noorden'. Bij het doornemen van de oude leerlingenlijsten van 25 jaar geleden weet ze zich de meeste kinderen nog te herinneren en wat er van hem of haar is terechtgekomen.

Volgens Eveline Mink was het Oude Noorden in 1974 nog een echte volkswijk met veel kleine winkeltjes. "De vaders werkten in de havens en fabrieken of waren vaak werkloos. De moeders waren meestal huisvrouw. De sociale controle was groot maar er was ook veel samenhorigheid. Ik werd in 1974 aangenomen als stimuleringsleerkracht voor het project Onderwijs Sociaal Milieu (OSM), een project dat opgezet is door de pedagoog Grandia van Rotterdamse Universiteit om de leerachterstand van kinderen uit sociaal zwakke milieus in Rotterdam op te heffen. Scholen met meer dan vijftig procent kinderen uit een arbeidersmilieu deden aan het OSM mee. De cognitieve kant van het programma richtte zich vooral op de taalachterstand die deze kinderen hadden. De sociale component moest het gedrag van de kinderen verbeteren. We ontwikkelden zelf lesmateriaal. En bij de lessen betrokken we ook de ouders".

'Turkie, turkie onderjurkie'

Gülümser Dag

De voorbodes van de veranderingen in het Oude Noorden waren er begin jaren zeventig al. Op Combinatie 70 zaten enkele kinderen van de eerste lichting gastarbeiders uit Zuid-Europa: de Joegoslaven, Spanjaarden en Portugezen. Er zaten ook Surinaamse kinderen in de klassen. Tegenover de kleuterschool was een pension met Marokkaanse gastarbeiders gevestigd. De blanke arbeiders die het financieel beter kregen, trokken weg naar de nieuwe buurten aan de rand van de stad als Ommoord of groeisteden als IJsselstein. In de leeggekomen huizen trokken Turkse en Marokkaanse gezinnen.

In 1975 kwam Gülümser Dag als eerste Turkse leerling op de school. Ze was tien jaar en werd vanwege haar taalachterstand in de derde klas geplaatst. Haar vader werkte sinds 1972 als lasser bij scheepswerf Van der Giessen-de Noord en haalde drie jaar later zijn vrouw en vier kinderen naar Nederland. Op de foto van haar schoolkaart uit die tijd staat Gülümser Dag met een wilde bos donker kroeshaar, bij het kopje nationaliteit is vreemde ingevuld en bij kerkelijke gezindte mohammedaans. Nu is het haar van de 37-jarige moeder van twee kinderen van zestien en twaalf verborgen onder een keurige hoofddoek. Ze heeft een stevig Turks accent maar grammaticaal is haar Nederlands goed. Aan de keukentafel in haar nieuwbouwwoning in het Oude Noorden, vertelt ze over haar eerste jaar op school: “Ik was heel verlegen en ik huilde veel het eerste jaar. Ik werd erg gepest door de kinderen. ”Turkie, turkie onderjurkie”, riepen ze. Ik kan dat woord nog niet horen. Ik snapte er ook niets van. Wat had een onderjurk met mij te maken? Dan ging ik naar de leraar en die zei tegen me dat ik kaaskop terug moest schelden. Uiteindelijk leerde ik binnen een jaar Nederlands doordat ik apart taalles kreeg. En toen was het pesten ook over en speelde ik gewoon mee. Na een jaar was ik allang niet meer het enige kind van Turkse of Marokkaanse afkomst op school".

De Rotterdamse wijk het Oude Noorden
De Rotterdamse wijk het Oude Noorden

Goede herinneringen aan de schooltijd

Mohammed Alebase

De Marokkaan Mohammed Alebase (35) kwam in 1976 als negenjarige op Combinatie 70. De mede-eigenaar van de ruimgesorteerde vishandel Mediterannee heeft goede herinneringen aan zijn schooltijd. "Ik heb me altijd gelukkig gevoeld op de school. Ik speelde met alle kinderen van de school. De Nederlandse kinderen leerden me Nederlands. Ze wezen alles aan en vertelden dan wat het was. Na een aantal jaren kwamen er al snel meer kinderen van Turkse en Marokkaanse afkomst op school en mocht ik voor tolk spelen voor hun en hun ouders. Begin jaren tachtig kwam er per dag wel een nieuw kind op school".

Met de snelle toename van het aantal Marokkaanse en Turkse kinderen tegen het eind van de jaren zeventig paste Combinatie 70 haar onderwijs aan. Eveline Mink: “Al snel kregen we door dat klassikaal onderwijs niet te handhaven was doordat de leerlingen allemaal een verschillende aanpak nodig hadden. Het aantal leerlingen was te groot om apart bij te spijkeren. We zetten meerdere leerkrachten voor de klas. We organiseerden Turkse en Arabische les voor de kinderen in de school. En vanuit de gemeente werden de zogenaamde Vliegende Brigades ingesteld. Een groep leerkrachten kwam de scholen langs en gaf de Turkse en Marokkaanse kinderen Nederlandse bijles. Achteraf bezien hebben we met al die voorzieningen voorde kinderen onze eigen kuil gegraven Het had tot gevolg dat de christelijke scholen in de wijk de Turkse en Marokkaanse ouders naar onze school doorstuurden met de opmerking 'daar hoort uw kind meer thuis'. En wij ontvingen de kinderen met open armen".

'Witte vlucht'

Gissen naar de motieven

De massale komst van de Turkse en Marokkaanse kinderen betekende ook het einde van het project Onderwijs Sociaal Milieu. "Op kleuterniveau konden de kinderen wel meedraaien in OSM maar de kinderen die in de hoge klassen kwamen hadden een andere aanpak nodig. Daarnaast trokken steeds meer autochtone mensen weg. Veel huizen in de buurt werden gesloopt voor nieuwbouw en de arbeiders grepen dat aan om helemaal de stad uit te verhuizen. Naar betere woningen en een eigen tuin. Maar vaak ook om hun kinderen een betere toekomst te geven. Toch bang dat hun kind te weinig aandacht op de school kreeg. Ouders vonden dat soms heel moeilijk om toe te geven. Wij gaven dan wel aan dat hun kinderen ook meer aandacht kregen maar dat werd niet geloofd. Daarnaast kwam er een groep ouders die hun kinderen niet meer naar onze school stuurden op het moment dat ze vier werden. Ze fietsten ‘s ochtends de buurt uit naar een school met minder buitenlandse kinderen, de zogenaamde witte vlucht. We kunnen slechts gissen wat hun motieven waren want we spraken ze niet".

De school overschreed in 1983 de zeventig procent leerlingen van buitenlandse afkomst, de grens die aangeeft dat een school ‘zwart’ is geworden. Eveline Mink: " Het ene jaar hadden we vijftig procent leerlingen van buitenlandse afkomst. Het volgende jaar was dat plotseling 75 procent. We hebben het tij proberen te keren maar we waren al te laat. Samen met andere scholen die tegen het probleem aanliepen én de ouders hebben we bij de gemeente aangegeven dat er een wijkgrens per school getrokken moest worden. Maar dat kan niet omdat dat in strijd is met de vrijheid van onderwijs. En we gaven aan dat de huisvesting van Marokkanen en Turken zwarte scholen in de hand werkt. Hele straten werden alleen bebouwd met grote gezinswoningen en daar kwamen de grote Turkse en Marokkaanse gezinnen te wonen. Er zijn nu straten waar bijvoorbeeld alleen Marokkanen wonen. De politiek heeft zijn vingers niet durven branden aan zo'n gevoelig onderwerp. En wij hebben geconcludeerd dat we beter onze energie op de kinderen konden richten. Als je dan een zogenaamde zwarte school bent, moet je er het beste van maken". Vijfentwintig jaar nadat de eerste kinderen van Turkse en Marokkaanse afkomst op school kwamen heeft Eveline Mink nu hun kinderen in de klas.

De kinderen van Gülümser Dag zitten op een zwarte school een paar straten verder op en daar maakt ze zich zorgen om. “Mijn kinderen leren nu slechter Nederlands dan ik ooit leerde. Ze praten alleen Nederlands in de klas. Op het schoolplein, op straat en thuis praten ze Turks. Maar ze moeten wel goed Nederlands kunnen om zich hier te kunnen handhaven”. Gülümser heeft uiteindelijk niet de basisschool afgemaakt en is op haar zestiende in een bakkerij gaan werken om de overtocht van haar latere echtgenoot mogelijk te maken "Ik kan mijn kinderen niet helpen bij hun schoolwerk".

Ze ziet een groot verschil tussen haarzelf en haar jongere broertjes en zusjes die wel de basisschool afmaakten. Haar zuster Emine Dag die tijdens het gesprek de keuken binnenkomt noemt haar plagend ouderwets. Haar tongval is onvervalst Rotterdams. "Maar Gülümser heeft voor ons de weg vrij gemaakt. Ik kwam als baby van 9 maanden in Nederland aan en in 1980 kwam ik als kleuter op school. In de tijd dat ik op school zat, werd de school donkerder en donkerder. Maar ook toen was de taal op school Nederlands. Thuis spraken we met de broers en zussen onderling Nederlands en met onze ouders praten we Turks. Iedere avond keken we met het hele gezin naar het Journaal. Nu kijken de kinderen de hele dag naar de schoteltv". Emine Dag heeft een MBO-opleiding afgemaakt en is na de geboorte van haar kinderen gestopt met werken. Ze woont in een wijk vlakbij het Oude Noorden en heeft haar oudste kind van vier op een Daltonschool met veel witte leerlingen gedaan. “Daar leert en hoort hij tenminste Nederlands". Op de basisschool van haar zoon is ze contactmoeder voor de andere Turkse moeders. Ook Mohammed Alebase zijn kinderen gaan naar een basisschool met een meer gemêleerde samenstelling. "Wij zijn een geïntegreerde familie", zegt hij trots.

De Rotterdamse wijk het Oude Noorden rond 1970
De Rotterdamse wijk het Oude Noorden rond 1970

Weinig veranderd in 30 jaar

Mink: 'Oude Noorden nog geen getto'

Eveline Mink begrijpt heel goed dat ouders als Mohammed en Emine kiezen voor een witte school. "Er is vanuit de overheid altijd gedacht dat bij de tweede of derde generatie de taalachterstand ingelopen zou zijn maar helaas is dat niet zo. Het Nederlands van de kinderen gaat in vergelijking met twintig jaar geleden zelfs achteruit. Ze kunnen vaak goed technisch lezen en schrijven maar hun woordenschat is te klein en die breidt zich ook niet uit omdat ze in de buurt, op straat, thuis en helaas ook op het schoolplein alleen Turks of Marokkaans praten en horen. Kinderen komen met een taalachterstand op school. Ze spreken geen Nederlands maar ook geen goed Turks of Marokkaans omdat hun ouders het ook maar half- half spreken".
Eveline Mink vindt het Oude Noorden nog geen getto. "Eigenlijk is er in die dertig jaar niet zoveel veranderd. Het Oude Noorden is nog steeds een wijk van een onderklasse. Maar de arbeiders van nu zijn andere als die van dertig jaar geleden. Ze werken nog steeds in de fabrieken en havens of zijn werkloos. En ze hebben nog steeds taalproblemen maar daar komen nu ook problemen bij die te maken met hun buitenlandse afkomst”.

Tekst en research: Anja Vink
Reportage: Yaèl Koren

(Deze tekst verscheen ook als artikel in Vrij Nederland, 31 augustus 2001)

Dertig jaar onderwijsvoorrangsbeleid

In 1969 komt de toenmalige onderwijsminister Veringa (KVP) met de beleidsnota 'Democratisering van het onderwijs'. Aanleiding voor deze nota is een onderzoek naar de ondervertegenwoordiging van kinderen uit arbeidersgezinnen op de universiteit. Er starten drie stimuleringsprojecten die tot het begin van de jaren tachtig lopen: Gedifferentieerd Onderwijs (GEON) in verschillende gemeentes, Innovatieproject Amsterdam (IPA) en Onderwijs en Sociaal Milieu (OSM) in Rotterdam.

Onder het ministerschap van Van Kemenade tijdens het kabinet Den Uyl (1973 - 1977) krijgt de bestrijding van onderwijsachterstanden nadrukkelijker de aandacht. Achterstand is een maatschappelijk probleem en het beleid richt zich nog voornamelijk op 'de kinderen van handarbeiders'. Voor de kinderen van de 'gastarbeiders' wordt een tweesporenbeleid ingevoerd gericht op terugkeer naar het vaderland en op integratie in de Nederlandse samenleving. Van Kemenade staat ook aan de wieg van de beroepenfactor: scholen krijgen meer geld voor kinderen met laaggeschoolde ouders.

Onderwijsminister Pais (VVD), de opvolger van Van Kemenade in 1977, ziet arbeiderskinderen, etnische minderheden, meisjes en gehandicapten als achterstandsgroep. Bij latere berekening bleek meer dan de helft van de leerlingen in het basisonderwijs onder de term achterstandsleerling te vallen. Daarop werd de definitie bijgesteld.

In 1981 komt men tot het inzicht dat de gastarbeiders, die nu migranten gaan heten, blijvend deel uitmaken van onze samenleving en het onderwijsbeleid ten opzichte van hun kinderen drastisch moet veranderen. Het besef groeit dat door het gebrek aan concrete doelstellingen er weinig resultaat wordt geboekt met het onderwijsvoorrangsbeleid aan zowel arbeiders- als migrantenkinderen De rol van de overheid is tot nu toe slechts financieel administratief en niet inhoudelijk.
Halverwege de jaren tachtig blijkt ook uit onderzoek dat de programma's die eind jaren zestig startten geen achterstanden hebben opgeheven. Ze zijn echter wel richtinggevend voor het verder beleid rond onderwijsachterstanden. Er verschijnen meerdere nota's en een wetsontwerp maar deze laatste strandt in 1987 in de Eerste Kamer. Het beleid wordt op dezelfde voet voortgezet alleen de zogenaamde gewichtenregeling wordt officieel beleid. De regeling houdt in dat voor een kind met laagopgeleide ouders 1,25 formatieplaats wordt gefinancierd, voor een kind van buitenlandse afkomst met laagopgeleide ouders 1,9. Een 'gewoon' kind krijgt 1 formatieplaats. Uit onderzoek in 1989 blijkt dat de spreiding van de zogenaamde 1,9 leerlingen gering is en meestal een school bezoeken met veel achterstandsleerlingen.

In 1991 veegt oud-onderwijsminister Van Kemenade als voorzitter van een commissie de vloer aan met het onderwijsvoorrangsbeleid aan wat toen allochtone leerlingen gingen heten. De commissie doet het voorstel tot een driesporenbeleid: achterstandsbeleid, beleid voor nieuwkomers en onderwijs in eigen taal en cultuur aan leerlingen van buitenlandse afkomst. Ook stelt de commissie decentralisatie van het beleid naar de gemeentes voor.
In 1998 vindt onder het bewind van staatssecretaris Karin Adelmund, verantwoordelijk voor het onderwijsvoorrangsbeleid, de decentralisatie naar de gemeenten plaats. Tegelijkertijd wordt steeds duidelijker dat de achterstanden van zowel autochtone als allochtone leerlingen niet worden ingelopen ondanks dertig jaar beleid. Met name op de zogenaamde 'zwarte' scholen constateert de Onderwijsinspectie dat de achterstanden het grootst zijn.

Op dit moment is bijna een derde van de 1,5 miljoen basisschoolleerlingen een zogenaamde achterstandsleerling; 200.000 zijn kinderen van buitenlandse afkomst met een lage vooropleiding en 250.000 zijn de autochtone kinderen met ouders die laag zijn opgeleid. Van de bijna achtduizend basisscholen hebben vierhonderd scholen meer dan de helft 1.9 kinderen. 70% van deze scholen staan in de vier grote steden. 277 van deze scholen hebben meer dan 75% kinderen van buitenlandse afkomst.

Tekst: Anja Vink

Geïnterviewden Bronnen
  • Eveline Mink
    Eveline Mink
  • Gülümser Dag, oud-leerling van de 'Combinatie 70'
    Gülümser Dag

    Oud-leerling van de 'Combinatie 70'

  • Onderwijsbeleid sinds de jaren zeventig

    Onderwijsbeleid sinds de jaren zeventig, een werkdocument (Onderwijsraad; dec. 2000).

  • De bestrijding van achterstand van Nederlandse leerlingen in het basisonderwijs

    L.F.J. van der Velden, De bestrijding van achterstand van Nederlandse leerlingen in het basisonderwijs (Groningen 1996).

  • Het Oude Noorden

    Gemeentearchief Rotterdam, Het Oude Noorden